Nooteboom

De bespreking van een gedichtenbundel van Cees Nooteboom door Maarten Doorman (Boeken 30.7.99) heeft mij verbaasd. Niet omdat er een andere appreciatie van deze poëzie mogelijk is, want ik ken de bundel niet, maar vanwege de algemene bezwaren die Doorman aanvoert: hij verwijt Nooteboom dat hij `steeds algemeenheden ziet in het bijzondere, waardoor de werkelijkheid abstract wordt en al haar nuance ... verliest'. Is abstraheren niet juist de kracht van een (bepaald soort) poëzie? En is er iets tegen dat Nooteboom verkiest zich bezig te houden met `ouderwets filosofische begrippen als `tijd', `eeuwigheid' en `ziel'? Doorman mag vinden dat hij dit te expliciet doet, maar als een algemeen bezwaar mag die keuze voor deze onderwerpen niet gelden. Vreemd wordt het als Doorman Nooteboom `ernst en plechtstatigheid' verwijt (lachen is taboe luidt de kop van zijn bespreking). Sinds wanneer mag poëzie niet meer `ernstig' zijn? Lachen is in veel poëtische genres eenvoudig niet aan de orde.

Bunna Ebels, Groningen