Nederland vertrouwt op zelfcontrole vleessector

De Belgische hormonenmaffia heeft Nederland ontdekt. Een drieluik over het gebruik van en de jacht op groeibevorderaars.

Vandaag deel 2: Nederland.

Na een wilde achtervolging over Brabantse wegen werd op 6 juli dit jaar in Veldhoven de Belgische hormonenspuiter Walter Remysen door de Nederlandse politie klemgereden. Hij was even daarvoor door de Algemene Inspectiedienst (AID) op heterdaad betrapt bij spuiten van groeihormonen en anabolensteroïden bij 29 kalveren in een boerderij in Vessem.

Met de vangst van Remysen had de AID, de dienst van het ministerie van Landbouw die onderzoek doet naar illegale groeibevorderaars, een zware jongen uit het Belgische hormonenmilieu te pakken. Remysen is eerder veroordeeld voor zulke praktijken. Zijn bedrijf is op last van de Vlaamse keuringsdienst IVK gesloten en de moordenaar van IVK-veearts Karel van Noppen noemde zijn naam als degene die opdracht gaf tot de moord.

Wat de aanhouding van Remysen tevens duidelijk maakt, is dat de hormonenmaffia grenzeloos is. Maar dat wist de AID al langer. Drie jaar geleden bleek Remysen al hormonen te leveren aan een landbouwer in Rijsbergen, bij Breda. Het is een van de grensoverschrijdende netwerken die de laatste jaren opdoken.

Ook in Nederland zijn veeartsen, farmaceutische bedrijven, veevoederbedrijven, handelaren en vetmesters actief in de illegale handel. Het grootste schandaal tot nu toe speelde zich in 1991 af rond het farmaceutische bedrijf Dopharma in Raamsdonkveer. Dat leverde clenbuterol aan veeartsen die het verkochten aan vetmesters.

Het aantal opsporingsonderzoeken van de AID naar groeibevorderaars schommelt sinds 1995 jaarlijks rond de tien. De onderzoeken zijn voor 45 procent gericht op Zuid-Nederland, 30 procent op West-Nederland en 25 procent op Oost-Nederland. De AID nam in die onderzoeken afgelopen vijf jaar 477 runderen in beslag. De meeste beesten bleken behandeld met clenbuterol, clenproperol en testosteron.

In april 1997 drong de AID aan op een hardere aanpak. H. Kamphuis, chef recherche van de AID concludeerde bij die gelegenheid dat de hormonenhandel springlevend is en hormonen nog steeds op substantiële schaal gebruikt worden in Nederland. En niet alleen door de kleine mesters. Dat veel controleurs van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) amper nog op hormonen stuiten maakt bij Kamphuis geen indruk. Volgens hem hebben hormoonspuiters hun les geleerd; ze gebruiken op grote schaal maskerende middelen en zoeken naar steeds nieuwe hormoonvarianten en cocktails.

Bij de behandeling van een clenbuterolzaak in 1992 voor Almelose rechtbank zei officier van justitie mr. J. Oosterhof dat hij vermoedt dat 80 procent van de Twentse veehouders verboden middelen gebruikten. Ook het eindrapport van de enquêtecommissie Opsporingsmethoden (Van Traa) verwees in 1995 naar het gebruik van hormonen. ,,In een markt waarin winstmarges uiterst smal zijn, kan het gebruik van groeimiddelen namelijk het verschil uitmaken tussen overleven en ten onder gaan'', aldus het rapport.

De routinecontroles op groeibevorderaars in de vetmesterij en veehandel is in handen van twee private controlediensten, bestuurd door de vee- en vleessector zelf. De Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (SKV) en de BV Controle Bureau Dierlijke Sector (CBD). De CBD is gelieerd aan de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren.

Het ministerie van Landbouw juichte in 1991 de komst van de zelfcontrole van de sector toe. Volgens toenmalig staatssecretaris Gabor konden de problemen niet worden opgelost door een strenge overheidscontrole. Daarvoor was volgens de staatssecretaris ,,geen draagvlak binnen de sector'', bovendien waren de controles arbeidsintensief en kostbaar.

De oplossing werd gevonden in zelfcontrole. Beiden instanties controleren op boerderijen. De SKV vindt daarbij steeds minder hormonen. Begin jaren negentig werden nog negen tot tien positieve gevallen ontdekt, vorig jaar was dat gedaald tot één geval. Het goedgekeurde vlees krijgt de garantie dat er geen groeihormonen in zitten. ,,Het probleem is bijna opgelost'', zegt SKV-directeur C. van der Weg.

Ir. B. Odink, secretaris van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren: ,,Er is geen lidstaat waar zoveel wordt gecontroleerd. In de regel wordt die rotzooi niet gebruikt, tonen de controles aan. Een mafia zoals in België kennen wij hier in Nederland niet.''

De Rekenkamer zag in 1997 een andere reden voor geringe vondsten van illegale stoffen. Het ministerie van Landbouw heeft onvoldoende waarborgen gecreëerd voor een deugdelijk toezicht op de keuringen door de SKV, vond de Rekenkamer die vaststelde dat de uitvoering van de controle door de stichting ernstige tekortkomingen vertoont. Door de gekozen steekproefomvang is er grote kans dat groepen kalveren worden goedgekeurd terwijl een deel toch met hormonen is behandeld. Uit het onderzoek bleek ook dat bij de controle van urinemonsters normen worden gehanteerd die vele malen hoger liggen dan de technisch waarneembare concentratie van verboden stoffen. De normen zijn soepeler dan in België. Bovendien bleek de stichting pas actie te ondernemen als de concentratie verboden stoffen vijf keer hoger was dan de in zijn eigen richtlijnen toegestane norm. Pas dan wordt soms de AID ingeschakeld.

De Rekenkamer gaf het ministerie de aanbeveling om de keuringen te verbeteren. Wat is daar mee gebeurd? Nog steeds wordt door SKV en CBD niet volgens de strengst mogelijke normen gecontroleerd. De kalvermesterijen en handelaren die geen lid zijn van de SKV krijgen bovendien geen SKV-controleurs over de vloer. De controle vindt dan pas in het slachthuis plaats door de RVV en die bemonstert opvallend zware, en dus mogelijk met hormonen bewerkte, karkassen maar incidenteel.

De AID ziet zich nog altijd beperkt in de opsporing van groeibevorderaars in Nederland door de wetgeving. Knoeien met hormonen in vlees is geen misdrijf, maar een overtreding van de Diergeneesmiddelenwet. Een woordvoerder van de AID: ,,Dat beperkt onze opsporingmogelijkheden ernstig.''

Morgen deel 3: `Slachtvlucht'