Lyriek tussen Maas en Praag

Er zijn dichters die het liefst het binnenwerk van de taal verkennen en zo, middelpuntzoekend, een fort van woorden bouwen. De poëzie die dat oplevert is niet specifiek voor een publiek geschreven. Er is dan ook geen openlijke boodschap; hooguit inviteert het vers de lezer om de fascinatie voor het drijfwerk van de taal te delen. Voor critici en wetenschappers is dit aantrekkelijke poëzie. Er valt immers veel uit te leggen. Maar in de kantlijn van hun commentaar is de tribune zelden vol.

Het verzet tegen immanente dichtkunst is zo oud als de poëzie. Ook buiten de bijbel zijn er geen kluizenaars zonder predikers. En soms vallen beiden samen in één persoon, zoals in Jean Pierre Rawie, van wie dit weekeinde een nieuwe bundel verschijnt. Poëzie, stelde hij in menig interview, moet toegankelijk zijn. Het publiek heeft recht op gedichten met een boodschap, op mooie woorden over het moeizaam bestaan in dit ondermaanse.

Zo nadrukkeljk als Rawie heeft Jana Beranová zich nooit uitgesproken. Niettemin is zij bij uitstek een exponent van wat ik net, al te schamper, omschreef als het predikende dichterschap. Al in het begin van de jaren zeventig toonde haar werk een hoog aforistisch gehalte. De politiek (een gevaarlijk terrein voor dichters) werd daarbij niet geschuwd. `Als er geen woorden vallen / vallen er bommen,' waren citaatklare regels, en daar had ze er meer van in huis. De bronnen van haar engagement waren duidelijk; als meisje ontvluchtte ze met haar ouders het communistische bewind in Tsjechië. Hommage aan Jan Palach was dan ook de titel van haar tweede, in 1994 verschenen bundel. Maar meer dan een politieke stellingname ademde dit werk betrokkenheid. En ook in Kiskassend gedicht (1996) voert het persoonlijke de boventoon. Dat dit tot aansprekelijke gedichten kan leiden blijkt opnieuw in Beranová's vierde bundel, Tussen de rivieren. Ontroerend zijn de verzen over haar ouders. In `Dennenbossen' verhaalt ze hoe ze haar vader verlost van de grote plant die in zijn kamer niet meer paste:

Alles om de kleine man

werd almaar kleiner.

Alleen de plant, als kind

in deze kamer, groeide.

De vrouw is dan al dood: `'s Ochtends / legden we haar in de kist zoals je / een pop in een kinderwagen legt.' De plant verhuist naar een nieuwe, gigantische bak bij de dochter. Met vingers vol aarde, de nagels vol rouw, begraaft ze de wortels.

Dan kraait in de tuinen een haan.

Ach wortels.

Driemaal denk ik aan Praag.

Aan plaatsen, maar vooral ook aan dingen is de herinnering bij Beranová gekoppeld. Aan een plant, maar evenzeer aan nachthemden of een hoed. De herinnering aan het hoofddeksel kreeg plastisch vorm in `Mijn vaders hoed'. Beranová schetst daarin een man die telkens als hij een dame ontmoet zijn hoed licht. Maar nog voor hij klaar is waait het zwarte vilt van zijn hoofd.

Een zware wolk schuift voor de maan.

De lamp gaat uit en de man gaat

dood. En de hoed? De hoed?

Ik tast in het duister en gis.

Wat weg is, is weg,

maar soms duurt het lang

voor het echt weg is.

In de laatste regels klinkt een echo van Schierbeek, maar het blijft een authentiek gedicht.

Het stroomlandschap van Tussen de rivieren loopt van Praag naar de Maasstad. In opdracht van Gemeentewerken Rotterdam schreef Jana Beranová enkele gedichten over de Erasmusbrug. Zowel persoonlijke (`Je legt een brug met de rug / van je hand, een loopplank / van troost') als maatschappelijke betrokkenheid (`Gloeiende oorlog om bruggen', `Bulldozerwoorden') komen daarin aan bod. In de naar de oorlog verwijzende regels wordt het register van de retoriek met zwier bespeeld. Te zwierig, vind ik. En ook elders in de bundel stijgen soms schrille klanken op. Maar dat is eigen aan poëzie die inhoud boven vorm stelt.

Waar de retoriek wordt ingehouden is het resultaat vaak boeiender. Zoals in `Blauw gedicht'. De dubbele punt na het openingswoord `Stel' nodigt de lezer uit om `voorbij de linde' mee te reizen in een landschap waarin achter iedere berg een volgende schuilt, en in iedere droom weer een nieuw visioen. Maar op het hoogtepunt van het vers, wanneer onbevangen ogen de hemel schilderen en het verhaal van een visser beloftevol aanvangt, zet de dichter een punt. Wat rest is de kale suggestie dat de boot van de visser misschien wel zo blauw is als zijn hoed en zijn zee.

In de orale vertelcultuur is dit een standaardtruc, die altijd slaagt. Na de eerste zin, die steevast inzet met `Er was eens...', houdt de verteller even de adem in. En met hem zijn toehoorders.

Jana Beranová: Tussen de rivieren. De Geus, 60 blz. ƒ29,90