Juristen: VN mogen ingrijpen in O-Timor

Militair ingrijpen. Wanneer mag het juridisch gezien wel, wanneer niet? In Kosovo mocht het niet, maar gebeurde het toch. In Oost-Timor mag het, maar gebeurt het niet. Voer voor juristen.

Juristen zijn het erover eens: in juridisch opzicht staat de Verenigde Naties niets in de weg om door militair ingrijpen een einde te maken aan de moordpartijen in Oost-Timor. Maar de internationale gemeenschap wil er voorlopig nog niet aan. Oost-Timor is een Indonesische kwestie, zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, eerder deze week. Pas als Indonesië akkoord gaat met een internationale vredesmacht, kunnen de VN actie ondernemen.

Juristen bestrijden dat dit nodig is. In principe heeft Indonesië niets te zeggen over Oost-Timor. De voormalige Portugese kolonie werd in 1976 door Indonesië geannexeerd, maar deze annexatie is door de internationale gemeenschap nooit erkend. ,,Ze is zelfs herhaaldelijk veroordeeld in de Veiligheidsraad van de VN'', zegt John Dugard, hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Leiden. Formeel gezien is Portugal nog steeds soeverein over Oost-Timor en is de crisis geen Indonesische aangelegenheid.

Nog een argument voor interventie: er is geen effectief gezag meer op Oost-Timor. ,,De staatsstructuren zijn verdwenen'', zegt de Nijmeegse hoogleraar Karel Wellens, tevens adviseur van Buitenlandse Zaken. Volgens Wellens, geen uitgesproken voor- of tegenstander van ingrijpen, heeft Oost-Timor wat dat betreft veel gemeen met Somalië, waar in 1992 wel werd ingegrepen.

De VN hadden met Jakarta afgesproken dat Indonesië na het onlangs gehouden referendum, waarbij ruim 78 procent van de Timorese bevolking stemde tegen autonomie en daarmee vóór onafhankelijkheid, zou zorgen voor orde en veiligheid op Oost-Timor. Afgelopen week echter maakten pro-Indonesische milities jacht op de bevolking en buitenlanders op het eiland. Dugard: ,,Indonesië heeft een kans gekregen en gefaald.''

Juristen vinden het vreemd dat het referendum toch werd gehouden, terwijl de veiligheidsomstandigheden op Timor duidelijk te wensen overlieten. Wellens: ,,De VN-Veiligheidsraad is in gebreke gebleven.'' Kortom: naast het recht om in te grijpen, hebben de VN intussen ook een morele verplichting om in te grijpen.

Het internationale recht is volop in beweging. Het concept van soevereiniteit zoals dat in het verleden werd gehanteerd, is achterhaald, menen Westerse juristen. Vroeger was er sprake van `absolute' soevereiniteit. Maar de toegenomen aandacht voor de rechten van de mens, voor milieu en de `internationalisering' zijn het oude soevereiniteitsbegrip aan het ondergraven, legt Dugard uit.

In Kosovo was dat duidelijk het geval. Daar stak een internationale krijgsmacht (de NAVO) de grenzen over van een soeverein land (Joegoslavië). Juridisch gezien mocht dat niet: het handvest van de Verenigde Naties verbiedt interventies in soevereine staten, tenzij de Veiligheidsraad hiervoor toestemming geeft. De NAVO had die niet.

Maar in de ogen van de NAVO was er in Kosovo sprake van een humanitaire noodsituatie: een moreel argument. De Alliantie beriep zich daarom op het juridische beginsel van `nood breekt wet' en ging over tot bombarderen. Dit beginsel is niet vastgelegd in het internationale recht. Maar sommige juristen, onder wie Dugard, bepleiten dit wel omdat het in uitzonderlijke situaties, zoals die in Kosovo, een `legale' uitweg kan bieden voor unilaterale interventie.

,,Maar moet je voor een volk van minder dan een miljoen mensen problemen riskeren met een volk van 200 miljoen mensen'', zo omschrijft dr. Olivier Ribbeling van het T.M.C. Asser Instituut in Den Haag het – politieke – dilemma waarvoor de VN zich gesteld zien. Ribbeling is op juridische gronden voorstander van ingrijpen, maar begrijpt dat dit grote praktische problemen met zich meebrengt. ,,Bij ingrijpen zul je bijvoorbeeld toch door Indonesische territoriale wateren moeten.'' En de kans dat Indonesië hiervoor toestemming geeft, is klein.

Bovendien ligt Oost-Timor in Azië, waar anders wordt gedacht over soevereiniteit dan in Europa. De Europese Unie is er het levende bewijs van dat de Europese landen niet langer vasthouden aan een `absoluut' soevereiniteitsbegrip en bereid zijn om de eigen handelingsvrijheid te beperken door het maken van bindende internationale afspraken. Volgens Dugard bespoedigde dit `denken' het ingrijpen in Kosovo. ,,De NAVO zei herhaaldelijk dat de gebeurtenissen in Kosovo ontoelaatbaar waren omdat ze in Europa plaatshadden.''

In Azië is soevereiniteit nog steeds `absoluut', meent Ribbeling. Zo beroept China zich met betrekking tot de mensenrechtensituatie in dat land voortdurend op de eigen soevereiniteit. Vooral China - dat over vetorecht beschikt – zal zich in de Veiligheidsraad daarom verzetten tegen een unilaterale interventie in Oost-Timor. Daarmee zou voor de Aziatische regio namelijk een `vervelend' precedent worden geschapen.