Het vernuftige oeuvre van een hippomaan

Dat thrillers zelden meetellen als literatuur betekent ongeveer dat zij meer vlot dan zorgvuldig geschreven zijn en geen waar inzicht geven in gemoedsbewegingen en in menselijke relaties. Zij moeten vernuftig zijn, zodat de lezer verrast wordt door wendingen in de constructie, en spannend, zodat zij met tegenzin weggelegd worden. Wat nog meer? Het is bijna verplicht dat zij op de hoogte lijken van de werkwijzen en het spraakgebruik bij de beroepen van hun personen: de politie, geheime dienst, journalistiek, luchtvaart, wat dan ook: daarmee wordt de onwaarschijnlijkheid van de ontwikkelingen vergoed.

De voormalige jockey Dick Francis heeft in zijn lange schrijversloopbaan – 37 boeken tot nu toe – aan de meeste eisen voldaan. Hij heeft alleen niet veel van het gevoel voor humor dat thrillers verkwikkelijker kan maken vooral als zij er zichzelf mee voor de gek houden. Vernuftig is hij zeker; spannend ook; en soms grondig, anders tenminste oppervlakkig ingelicht over de beroepen die zijn personen uitoefenen.

Zijn vernuftigheid kan het vlugst vastgesteld worden in de bundel verhalen die net in het Nederlands verschenen is, Ongeluksgetal (Field of Thirteen). Jamie Finland, een blinde jonge radio-amateur, ontdekt hoe hij de uitslagen van de foto-finishes op de renbaan kan opvangen voordat zij bekendgemaakt worden, nog net op tijd voor een inzet bij de toto: een jongen naar Francis' hart – helaas wordt hij betrapt. Soms is de vernuftigheid zo rusteloos dat het verhaal overvol raakt, bijvoorbeeld in het geval van Arthur Dartmouth Glen die zijn geld uit een roofoverval verspeelt op de renbaan en vloekend terugkeert naar zijn nachtdienst als cipier in de plaatselijke gevangenis. Een enkele keer valt het beminnelijk uit: de weduwe Angela Hart die door schijnbare vrienden wordt opgelicht bij de aankoop van een paard, maakt het verlies goed bij de toto en ziet verder van paarden af om te gaan pottenbakken.

Dergelijke korte verhalen zullen veel lezers zich verbeelden zelf te kunnen verzinnen, zo niet te schrijven. Met de romans zou het nooit lukken, die zijn te ingewikkeld van constructie en te vrijmoedig in hun spotten met de geloofwaardigheid. Klopjacht (Bloodsport), in 1967 voor het eerst in het Nederlands verschenen en nu opnieuw vertaald, is een sterk voorbeeld van Francis' vertelkunst. Het verhaal over de ambtenaar van de contraspionage Gene Hawkins die wordt uitgeleend aan een gedupeerde eigenaar van renpaarden klinkt nog even fris en onwaarschijnlijk als dertig jaar geleden. Tegen het eind wordt het verrijkt door de dood van een vertrouwde medewerker van de hoofdpersoon in een gevecht met de paardendieven. Hoewel de misdaad verslagen is treurt de overwinnaar; ook de lezer, hoewel opgelucht, denkt in contrapunt na over verlies en dood.

Dat de ambtenaar door de overheid uitgeleend is aan een paardenfokker lijkt mij een van de minst realistische verzinsels in Francis' oeuvre. Wel is Hawkins tenminste een man met ervaring in het bestrijden van misdaad en wetsontduiking; hij verlaat het huis nooit zonder zijn Luger in zijn gordel. De vertellers in drie andere romans van Francis leken mij onverantwoordelijk pril voor de gewelddadige verwikkelingen waarin zij zich moeten laten gelden. De filmregisseur van Wild Horses (1994, in vertaling Wilde paarden), de zeventienjarige zoon van een kandidaat voor het Lagerhuis in 10 lb. Penalty van 1997 (Paparazzo) en de langharige schilder van To the Hilt (Over de kling, 1996), die als nieuwelingen met misdaad en levensgevaar geconfronteerd worden, blijven er te onbewogen bij om door een geweldloze burger begrepen te worden.

Of dat afdoet aan zulke romans hangt van de bui van de lezer af. Voor mij was 10 lb. Penalty met zijn acrobatische moordaanslagen op politici te vergezocht; Wild Horses vergezocht en toch onderhoudend met zijn schietgrage nabestaanden van een man die in een film ongunstig uitgebeeld dreigt te worden; en To the Hilt met zijn moorden, paardendiefstallen, Schots nationalisme, familievetes en genadeloze huurlingen het minst levensecht en het meest onderhoudend van alle. De schilder die dat verhaal vertelt wordt enige malen in elkaar geslagen en tegen het eind bovendien geroosterd op een barbecue-installatie; de volgende dag zien wij hem niet in het ziekenhuis of bij de psychiater maar welgemoed aan de telefoon als tevoren.

Geloofwaardigheid en waarschijnlijkheid zijn geen vereisten voor thrillers. Bijna alles mag, zolang het verteld wordt zonder dat wij de verbeelding van de schrijver horen aarzelen. Dat het leven zoals Francis het beschrijft de meeste lezers onbekend voorkomt moet aanvaard worden. Velen van ons beseffen dat wij de wereld maar in een klein deel van zijn verschijningsvormen uit eigen ervaring kennen; wij zijn onbevoegd om aan een schrijver uit te leggen waar de werkelijkheid begint en ophoudt. Vele anderen vinden dat zij in hun dagelijks leven al meer dan genoeg met de werkelijkheid te stellen krijgen; hoe onwaarschijnlijker een roman is, hoe weldadiger voor de afleiding en ontspanning.

Daar is Dick Francis goed in. Zijn werk zal zelden iemands nachtrust verstoren of de volgende ochtend nog de gedachten in beslag nemen. Niet met zijn menselijke figuren tenminste; hoogstens met de paarden. Ik geloof dat in al zijn boeken paarden voorkomen, een enkele keer in een individuele rol, meestal groepsgewijs. Wij zien ze in de manege, op de heuvels, in de stoeterij, bij de rennen; en wij horen ze bespreken door eigenaars, trainers en oplichters. Wanneer zij een tijd lang niet ter sprake komen zijn zij er nog steeds op de achtergrond in de verbeelding, als het idee Paard. Francis weet natuurlijk dat zij van hem verwacht worden na al deze jaren; en ik neem aan dat hij graag aan de verwachting voldoet omdat ze zijn verbeelding inderdaad nooit verlaten.

Hij moet zoiets zijn als een hippofiel, of zelfs een hippomaan. In de conversatie wordt hij er misschien eentonig van; in zijn werk niet, daar gaat hij er zorgvuldig en tactvol mee om. Zijn mensen komen en gaan: de boosdoeners, de tegenspelers en de omstanders. Zijn paarden zijn er dag en nacht, wachtend in hun boxen, grazend op de heuvels, hoog en kwetsbaar en onverschillig voor onze bewondering. Als hij uiteindelijk aan de hemelpoort verschijnt zal Petrus zeggen: het gesol met personen in je verhalen kon er niet altijd mee door; gelukkig zien de paarden je wel zitten, dus kom binnen.

Dick Francis: Ongeluksgetal. Vertaald door Nelleke van Maanen, Archipel, 238 blz. ƒ34,90

Dick Francis: Klopjacht. Vertaald door Ria Loohuizen, Archipel, 208 blz. ƒ34,90