Eindeloos touwtrekken

De verzameling avantgarde kunst die de Russische verzamelaar Nikolaj Chardzjiëv naliet werd voor een deel frauduleus verkocht. De Stichting Chardzjiëv probeert de collectie te herstellen.

In de hoop dat zijn kostbare kunstcollectie en archief hier in Nederland, ver weg van de Russische misdaad, veilig zouden zijn, emigreerde de Russische verzamelaar Nikolaj Chardzjiëv in 1993 op negentigjarige leeftijd met zijn vrouw Lidia Tsjaga naar Amsterdam. De hoop bleek ijdel: ook hier raakte het echtpaar overgeleverd aan lieden die het op hun bezit hadden gemunt. De collectie viel na Chardzjiëvs dood in 1996 ten prooi aan wanbeheer en er werden diverse belangrijke stukken uit verkocht.

Maar binnenkort lijkt er een einde te komen aan de al jaren slepende `Chardzjiëv-affaire'. Achter de schermen werkt het bestuur van de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev Tschaga - ofwel de Stichting Chardzjiëv - aan een regeling die de in het verleden gepleegde malversaties zoveel mogelijk ongedaan moet maken. Naar verwachting slaagt het bestuur er nog dit najaar in om de Gordiaanse knoop van wel en niet geoorloofde transacties met kunstwerken uit de collectie te ontwarren en de verzameling onder haar beheer te krijgen. Dat zou betekenen dat Nederland een collectie Russische avant-garde kunst uit het begin van deze eeuw rijker wordt waarvan de waarde geschat wordt op 300 miljoen gulden. Het gaat om een verzameling die in het Westen zijn weerga niet kent.

Chardzjiëv - een letterkundige, en expert op het gebied van de Russische avant-garde kunst - heeft niet alleen een enorme kunstverzameling opgebouwd, maar ook een uitgebreid archief met manuscripten en brieven van schrijvers als Anna Achmatova, Osip Mandelstam en Velimir Chlebnikov. De Russische wet verbiedt de uitvoer van kunstwerken van voor 1945, maar met behulp van de Keulse Galerie Gmurzynska slaagde Chardzjiëv erin zijn kunstcollectie en ook een groot deel van zijn archief naar het Westen te smokkelen. Een ander deel van het archief, met onder meer handschriften van Malevitsj, werd door de Russisische douane in 1994 onderschept en is nu ondergebracht in het centrale Archief voor Literatuur en Kunst in Moskou.

Chardzjiëv wilde dat na zijn dood zijn archief en kunstcollectie zouden overgaan naar een stichting. Nadat zijn vrouw Lidia Tsjaga in november 1995 was overleden, benoemde hij de Russische emigrant Boris Abarov, die hij in Amsterdam had leren kennen, tot erfgenaam. In dezelfde maand werd ook de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tchaga opgericht. Bestuurder van de Stichting was alleen Nikolaj Chardzjiëv. Na zijn overlijden zou hij worden opgevolgd door Boris Abarov.

Dubbelfunctie

Tot executeur-testamentair van zijn nalatenschap had Chardzjiëv de Amsterdamse notaris mr. C.M.R. Privé benoemd. Drie maanden na Chardzjiëvs overlijden in juni 1996, vroeg Abarov, die inmiddels in opspraak was geraakt, aan Privé om het voorzitterschap van het stichtingsbestuur van hem over te nemen, waar Privé in toestemde. Door deze dubbelfunctie van executeur-testamentair van de nalatenschap en bestuurder van de Stichting, was er sprake van een belangenverstrengeling bij Privé die onverenigbaar is met de status van notaris. Privé loste dit op door uit het notariaat te stappen.

Volgens het testament van Chardzjiëv had de Stichting het recht om de kunstwerken die zij van belang achtte bij de boedelafwikkeling op te eisen van de executeur-testamentair. Omdat beide functies door Privé werden verenigd kon hij zelf bepalen welke kunstwerken naar de Stichting zouden gaan en kon hij ook de overdracht van de kunstwerken aan de Stichting traineren. Door een aanpassing van de stichtingsstatuten – waarin hij liet schrappen dat het de bedoeling was de kunstcollectie bijeen te houden – gaf hij zichzelf bovendien het recht om kunstwerken uit de collectie te verkopen. Dat gebeurde in september 1996.

Naar aanleiding van negatieve berichten over de Stichting Chardzjiëv in de Russische pers verklaarde Privé op 5 september 1996 tegenover deze krant: ,,Er is geen sprake van een crimineel circuit rondom de collectie.'' In werkelijkheid waren de malversaties toen in volle gang. Precies een dag eerder, op 4 september 1996, had Privé een contract gesloten met de in Russische kunst gespecialiseerde Galerie Gmurzynska, waaraan hij voor 12,5 miljoen dollar vier schilderijen van Malevitsj verkocht: Man in suprematistisch landschap, Het bruine trapezium, Het rode vierkant en De zwarte rechthoek. Enkele maanden later, begin 1997, verkocht Privé nog een serie werken uit de collectie, waaronder een schilderij van Malevitsj en litho's van El Lissitski. In totaal was met de verkopen een bedrag van 30 miljoen gulden gemoeid.

Galerie Gmurzynska had in 1994 al vier schilderijen en twee gouaches van Malevitsj uit de collectie weten te bemachtigen. Ze had bedongen dat ze deze werken in ruil voor de smokkeloperatie kon kopen voor de extreem lage prijs van 2,5 miljoen dollar (de waarde van één schilderij van Malevitsj wordt geschat op acht à tien miljoen gulden). Enkele van deze schilderijen zijn inmiddels door Gmurzynska doorverkocht, aan de Amerikaanse verzamelaar Robert Lauder en aan Museum Ludwig in Keulen.

De transactie tussen Galerie Gmurzynska en Chardzjiëv uit 1994 kan niet meer ongedaan worden gemaakt. Maar met de verkopen die na de dood van Chardzjiëv door Privé werden gedaan, ligt het anders. Toen deze verkopen in 1997 aan het licht kwamen, verdedigde Privé die met het argument dat hij als executeur-testamentair geld nodig had om de boedel te kunnen afwikkelen: hij moest successierechten betalen en ook waren er nog schulden van Chardzjiëv. Maar het lijkt onwaarschijnlijk dat Privé hier 30 miljoen gulden voor nodig had. Aan de fiscus had hij opgegeven dat de waarde van de kunstcollectie miniem was, dus die was nauwelijks belast. In het deze zomer verschenen boek Meesters, marodeurs. De lotgevallen van de collectie Chardzjiëv beschrijft journaliste Hella Rottenberg waar het geld terechtkwam: in de zakken van Privé, de met hem bevriende pensioenadviseur Jan Buse en Boris Abarov, die inmiddels naar Nieuw-Zeeland is geëmigreerd.

Nadat in het najaar van 1997 berichten in de pers waren verschenen over het geknoei met de Chardzjiëv-collectie begon de Nederlandse overheid zich met de zaak te bemoeien. De directe aanleiding was een bezoek van de Russische premier Tsjernomyrdin die tegenover premier Kok zijn zorgen uitte over de toekomst van de collectie. De ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Buitenlandse Zaken wisten via het Openbaar Ministerie te bewerkstelligen dat er een nieuw bestuur van de Chardzjiëv-stichting kwam. Voorzitter is sinds april 1998 ex-minister van Justitie mr Job de Ruiter. Verder maken de Amsterdamse advocaat mr Theo Bremer en kunsthistoricus Robert de Haas deel uit van het stichtingsbestuur.

De taak die zij op zich namen is niet eenvoudig. Afgelopen zondag, toen de Chardzjiëv-affaire in het tv-programma De Plantage aan de orde kwam, onthulde Theo Bremer, die optrad als woordvoerder van de Stichting Chardzjiëv, dat het bestuur nu bezig is om via onderhandelingen met alle betrokkenen een schikking te treffen waarbij de kunstcollectie en het archief zo compleet mogelijk aan de Stichting worden overgedragen. Ook is het de bedoeling, zei hij, dat er een geldbedrag beschikbaar komt voor het beheer van de collectie. Mochten de onderhandelingen op niets uitlopen, dan zal een rechtszaak onvermijdelijk zijn, maar daar ziet het op dit ogenblik niet naar uit.

Compromissen

Het bestuur van de Stichting Chardzjiëv heeft na zijn aantreden in april 1998 eerst de collectie en het archief in bewaring gegeven aan het Amsterdamse Stedelijk Museum en gekeken wat eraan ontbrak. Ook is nagegaan wat er met het geld uit de nalatenschap is gebeurd. Vervolgens ging het erom hoe de Stichting de Chardzjiëv-collectie zo volledig mogelijk in haar bezit kon krijgen. De executeur-testamentair, Privé, had beslissingen genomen die niet in het belang van de Stichting waren. Erfgenaam Abarov werd door hem bijvoorbeeld bijzonder ruim bedeeld, en dat ging ten koste van de Stichting. Omdat er veel partijen in het spel waren besloot het bestuur om eerst via gesprekken en compromissen tot een voor de Stichting bevredigend resultaat te komen. Bij de onderhandelingen zijn niet alleen Privé en – via zijn advocaat – Abarov betrokken, maar ook Jan Buse, Galerie Gmurzynska, de fiscus en de Nederlandse Staat.

Voor Galerie Gmurzynska is de uitkomst van belang omdat haar reputatie op het spel staat: als de Chardzjiëv-collectie ontdaan van de meest belangrijke werken – die immers aan de galerie verkocht zijn – overblijft, zal dat alle partijen die met deze affaire te maken hadden worden nagedragen, ook Gmurzynska. Met de fiscus is een regeling getroffen waarbij de Stichting zo min mogelijk wordt belast. Verder heeft het bestuur te maken met de Nederlandse Staat omdat de betrekkingen met de Russische autoriteiten in het geding zijn. Met Rusland moet overeenstemming worden bereikt over de collectie zodat er van die kant geen claims meer te verwachten zijn. De directrice van het Poesjkinmuseum, Irina Antonova, heeft de Chardzjiëv-collectie onlangs in Amsterdam bekeken. Ze was ervan onder de indruk, en de Russen zullen de collectie zeker willen exposeren.

Buiten de onderhandelingen spelen nog allerlei kwesties zoals bijvoorbeeld de belastingaangifte door Privé, die een minuscuul bedrag opgaf voor de waarde van de kunstcollectie. Deze zaak is onderzocht door de FIOD, maar er is nog geen beslissing over genomen.

Het bestuur wil op dit moment geen enkele mededeling doen. Desgevraagd wil voorzitter de Ruiter alleen dit kwijt: ,,De Chardzjiëv-collectie is aangetast en dat zal in zekere mate zo blijven. We proberen wat mogelijk is te herstellen, maar om de verzameling in de oorspronkelijke staat terug te brengen, dat zal niet lukken. Zodra de zaak is opgehelderd, kunnen we aan onze eigenlijke taak beginnen: het exposeren van de kunstcollectie.''

Mr. C.M.R. Privé, beheerder van de collectie, verkocht werken met een totale waarde van dertig miljoen gulden