Eerherstel voor aardappeleters

Nederlands is een soort Duits en de Nederlandse literatuur is vergeven van regen, mist en nevelige landschappen; van nuchtere, stugge binnenvetters ploeterend in de westenwind. De Aardappeleters bij min tien – dat is ongeveer de associatie die Fransen hebben bij de Nederlandse letteren.

Met de Histoire de la littérature néerlandaise heeft Nederland nu de beschikking gekregen over een prachtig, effectief middel om de Franse misvattingen omtrent de Nederlandse literatuur uit de weg te ruimen. Hanna Stouten, Jaap Goedegebuure en Frits van Oostrom stelden speciaal voor de Franstalige markt, een in het Nederlands geschreven, in het Frans vertaalde Nederlandse literatuurgeschiedenis samen. Het initiatief kwam van het Literair Productie- en Vertalingenfonds, dat vergelijkbare plannen heeft voor de Engelse en Duitse markt en de vertaalkosten voor zijn rekening neemt.

De Histoire is een indrukwekkend standaardwerk, met een uitgebreide bibliografie, index op persoonsnaam en op titel en een chronologische lijst van Nederlandstalige werken. Het geeft – helaas zonder enige illustratie – in ruim negenhonderd bladzijden, een chronologisch overzicht van de Nederlandse letteren, van de vroege Middeleeuwen tot ongeveer 1980. Het boek opent met Bernlef – niet onze tijdgenoot J. Bernlef, maar de rond 750 in Friesland geboren troubadour – die de heldendaden van de Friese vorsten bezong en beschouwd wordt als de eerste schrijver uit onze geschiedenis.

De negen auteurs, allen verbonden aan een universiteit in Nederland, België of Frankrijk, hebben geen moment uit het oog verloren dat zij voor een Franstalige lezer schreven. Veelvuldig verwijzen zij naar Franse schrijvers, denkers, filosofen en ontwikkelingen in de Franse literatuur. Als er dan ook één ding duidelijk wordt, is het wel dat er eeuwenlang sprake is geweest van literair éénrichtingsverkeer tussen Frankrijk en de Nederlanden.

Vanaf de dertiende eeuw circuleerden er bijvoorbeeld al Middelnederlandse vertalingen van of varianten op oorspronkelijk oud-Franse teksten, zoals het Roelantslied. In de zestiende eeuw vond de auteur en satiricus Marnix van Sint-Aldegonde naar zijn zeggen inspiratie bij François Rabelais. Van de drukker en uitgever Christoffel Plantijn, opdrachtgever van de eerste woordenboeken Nederlands-Frans en Nederlands-Latijn, wordt duidelijk vermeld dat hij uit de Touraine kwam. In de zeventiende eeuw waren het gevluchte hugenoten die in de Republiek de eerste literair-wetenschappelijke tijdschriften lieten verschijnen.

Toch was het ook wel eens omgekeerd. Zo was de zestiende-eeuwse dichteres Louise Labé een groot bewonderaarster van de poëzie van haar tijdgenoot uit Den Haag, Janus Secundus, overigens vooral omdat deze in het Latijn schreef. Twee eeuwen later werd de poëzie van Louise Labé door de dichter Pieter Cornelis Boutens (1879-1943) in het Nederlands vertaald. Een andere uitzondering op het Frans-Nederlandse eenrichtingsverkeer is een geschrift van de achttiende-eeuwse fysicus-theoloog Bernard Niewentyt, Regt gebruik der wereldbeschouwingen. Dit boek, waarin hij Spinoza bekritiseert, werd, dankzij een Franse en Engelse vertaling, naar achttiende-eeuwse begrippen een bestseller en beïnvloedde zowel Voltaire, Rousseau als Chateaubriand.

Ook in later eeuwen lijkt er geen nederlandstalig auteur te zijn geweest die zijn voorbeelden niet vond bij Franse denkers en schrijvers. Justus van Effen erkende in de achttiende eeuw zijn evenknieën in La Bruyère, La RocheROCHEfoucauld en Molière – de grote namen uit de Franse moralistische traditie. Nijhoff, Constant van Wessem, Slauerhoff, Marsman, Bloem en Lucebert lazen allen Baudelaire; Theo Van Doesburg hield van Apollinaire; de Vijftigers bewonderden Antonin Artaud en Henri Michaux; Louis Paul Boon las Louis-Ferdinand Céline; Paul van Ostaijen vond inspiratie bij Jean Cocteau en Eddy du Perron en Menno ter Braak verkozen André Gide en André Malraux. Een enkele keer lijkt de verwantschap er wat bij de haren bijgesleept te zijn zoals bij Herman Teirlinck die een boek schreef in de tweede persoon enkelvoud `comme La modification de Butor'.

Aandacht wordt ook besteed aan het feit dat de belangrijkste Franse literaire (en Europese) stroming uit de eerste helft van de negentiende eeuw, de romantiek, volledig door de Nederlandse schrijvers werd verworpen. Alleen J. Kneppelhout en Nicolaas Beets werden korte tijd meegesleept door romantici als Byron, Goethe en Victor Hugo, maar beschouwden dat later als een jeugdzonde. Hugo werd in Nederland beschouwd als `het prototype van alles wat immoreel was'. Nederlandse critici beschuldigden de Franse romantici ervan zich wellustig te wentelen in eindeloze beschrijvingen van het vulgaire, het zedeloze en het triviale. Zij zouden het hoogstaande vermengen met het alledaagse en daarmee de klassieke artistieke normen van de Schone Kunsten aan hun laars lappen.

Zo gedecideerd als de romantiek ter zijde werd geschoven, zo enthousiast werd enkele decennia later het naturalisme omarmd. Lodewijk van Deyssel, Marcellus Emants, Louis Couperus en veel van hun tijdgenoten raakten in de ban van het werk van Emile Zola, dat overigens naar de toenmalige begrippen nog rauwer en laag-bij-de-grondser was dan veel romantisch werk. Rond 1880 hadden de meeste nederlandstalige romans een idealistisch, `boy-scout-achtig' karakter, zo vermeldt de Histoire. De nobele helden en stichtelijke slothoofdstukken stonden diametraal tegenover de realistische passie-, moord- en doodslagverhalen van Zola en zijn op de wetenschap geënte analyses van het menselijk temperament. `Nederland noch Vlaanderen kennen een Stendhal, een Balzac, een Jane Austen of een George Eliot en pas na de mokerslagen van Zola ging het bouwwerk van het idealisme aan diggelen en kon de realistische roman zich ontwikkelen.' De Histoire staat vol met dit soort wetenswaardige dwarsverbindingen tussen de beide literaturen, al geldt dit in mindere mate voor het hoofdstuk over de tweede helft van deze eeuw. De Franse nouveau roman uit de jaren zestig heeft kennelijk veel minder uitstraling gehad dan bijvoorbeeld het décadentisme aan het eind van de vorige eeuw (dat onder anderen Gerard Reve en Geerten Meijsing beïnvloedde).

De Franse pers besteedde tot nu toe nog geen aandacht aan dit standaardwerk, afgezien van een vermelding in Libération. Van de Franse vertaling van Harry Mulisch' De ontdekking van de hemel werden intussen meer dan tienduizend exemplaren verkocht. In Parijse boekhandels liggen ook vertalingen van Adriaan van Dis, Lieve Joris, Arnon Grunberg en Lulu Wang. Wie in Frankrijk wil weten uit welk literair nest deze auteurs zijn voortgekomen, kan er nu een uitstekende literatuurgeschiedenis op naslaan.

Jaap Goedegebuure e.a. (red.): Histoire de la littérature néerlandaise. Fayard, 915 blz. ƒ156,–