Een zielige hufter in de provincie

Het grachtengordeltje van een provinciestad is gemakkelijk belachelijk te maken. Natuurlijk doet iedereen het met iedereen, op steeds dezelfde feestjes. De museumdirecteur wil zijn `bruisende' stad `op de kaart zetten', maar werkt altijd met hetzelfde kringetje talentloze flessenschilders, kunstenaars met `uitingsproblemen' en afgekeurde dansers. Afgezien van de vele `aangeklede persconferenties' en `initiatiefgroepen' komt er nooit iets van de grond.

In zijn roman De verdwijning laat Thomas Verbogt (1952) een vreemdeling neerstrijken in zo'n provinciestad. De man kan zijn afkeer nauwelijks verbergen. Vooral het clichématige taalgebruik van de bewoners is hem een gruwel. Ze zeggen: `gesnopen', `denkfout', `internationale uitstraling', en gebruiken uitdrukkingen als `gaat niet goed met zichzelf om.' De vreemdeling bekijkt het cultuurvolk als een buitenaardse beschaving: ``Het zijn geen vliegen, maar andere insecten, puddingeters, warme pudding, donkergeel van kleur.'

Het mag gemakkelijk zijn om het culturele geploeter in zo'n stadje belachelijk te maken, vermakelijk is het wel. Vooral als het zo trefzeker en grappig gebeurt als door Thomas Verbogt. Over een dame die al tien jaar `bezig is met een boek', schrijft hij: `Ze gaat in een soort wandkleed gehuld. Dat wandkleed ruikt alsof het een paar dagen in geconcentreerd zeewater heeft liggen marineren.' Een repeteergrap over een roodkoperen pannetje weet Verbogt goed uit te bouwen. Zijn vergelijkingen zijn mooi en opmerkelijk: `Ze had een hese stem die ineens weg zou kunnen zijn, als een oude vogel die nog één keer naar de zon vloog.' En: `Otto slaat zijn echtgenote op haar rug, alsof ze een oud en droef paard is.'

De vreemdeling, de verteller, gaat wel erg ver in zijn afkeer van de provincie. Bovendien is hij weinig geloofwaardig. Als hij het zo afschuwelijk vindt, waarom loopt hij dan al die feestjes af? Waarom roddelt hij dan vrolijk mee? Hij mag zich dan ergeren aan de clichés van zijn gesprekspartners, zelf kan hij er ook wat van. Hij spreekt over `het kleine landschap van mijn leven'. De stad ligt volgens hem `aan de binnenkant van de rand van het verdwaasde Europa'. En popster Keith Richards is `de laatste romanticus van deze ziedende Middeleeuwen.' Als pretentieuze journalist die series over `rock-'n'-roll-hotels' schrijft, is hij eigenlijk veel zieliger dan de andere stadsbewoners.

Hij zal zelf de eerste zijn om dat toe te geven; veel groter dan zijn haat jegens het stadje is zijn zelfhaat. Net als in eerdere romans van Verbogt wil de vreemdeling `nergens' zijn. Hij heeft een verleden dat het hem onmogelijk maakt om zich aan het leven te hechten. `Je gaat een paar keer in je leven bijna dood en dan is het voorbij, je leeft nog wel, maar het doet er niet meer toe.' De gebeurtenissen `overkomen' hem. Daar kan hij niets aan doen. Hij kan slechts lijdzaam volgen.

Verbogt heeft de zedenschets van een provinciestad niet alleen vermengd met het portret van de cynische vreemdeling, maar ook nog met een ingewikkeld misdaadverhaal, dat draait om het verleden van de vreemdeling en de plotselinge verdwijning van zijn geliefde, Ilse. Dit plot is interessant maar wordt onhandig verteld. Verbogt houdt er aanvankelijk goed de spanning in door steeds kleine stukjes van de puzzel aan te bieden, maar op bladzijde 167 geeft hij opeens het hele verhaal weg. Wat daarna volgt is overbodig. Je weet al wat er gaat gebeuren.

Bovendien is het einde nogal pathetisch. Op de laatste bladzijde knijpt de vreemdeling de wijzerplaat van een klokje kapot (let op de symboliek) waarna hij verzucht: `Ook de tangomeester is gestopt met spelen. Alles in de bloedhete namiddag lijkt gestorven. Er is alleen nog de oude geur van de zee. De lucht is vol sidderende stilte.' Misschien schrijft Verbogt het expres zo op, zijn hoofdpersoon is tenslotte `een pathetische klootzak', maar het blijft lelijk en irritant.

De zedenschets van de provincie is veel beter dan het misdaadverhaal. Verbogt, toneelschrijver en literair variété-artiest' voor de VPRO-radio, is goed in korte stukken, in rake, humoristische typeringen. Een ingewikkeld verhaal over drugshandel, gedeelde geheimen, mislukte en nieuwe levens gaat hem slechter af. Misschien is hij wel te slordig. Hij heeft vier bladzijden nodig om Stefan Rammers te introduceren, een zwarte homofilosoof die handig gebruik maakt van de multiculturele mode. Maar daarna vergeet Verbogt dit personage weer en verdwijnt Rammers geruisloos uit het verhaal.

Ook met zijn andere personages springt Verbogt slordig om. Enkele krijgen een gezicht, maar de meeste worden alleen vluchtig beschreven. Op zichzelf is dat niet erg: het gaat tenslotte om de vreemdeling en zijn blik op het stadje. Maar zonder informatie wordt het wel moeilijk om te begrijpen waarom al die mensen zo verschrikkelijk zijn. Praten in clichés doen we allemaal wel eens.

Verbogt wil waarschijnlijk teveel. Hij wilde cultuur in de provincie afzeiken, hij had zijn misdaadverhaal, zijn vreemdeling die niet wilde leven, en dan moesten er ook nog jeugdtrauma's in, om die man wat meer achtergrond te geven. Hierdoor is De verdwijning een vermakelijke maar onevenwichtige roman waarin teveel overhoop wordt gehaald, en te weinig wordt afgewerkt.

Thomas Verbogt: De verdwijning.L.J. Veen, 182 blz. ƒ29,90