Een liedje voor elk loopje

Lionel Bart was een amateur in de muziek, maar zijn Dickens-musical `Oliver!' maakt al vier decennia furore. Binnenkort komt er een nieuwe Nederlandse versie.

Hij heette Lionel Begleiter en was de zevende van de elf telgen uit het landverhuizersgezin van een joodse kleermaker uit Oost-Europa, die in het begin van deze eeuw zijn geluk in Londen zocht. Voor wie erop let, is het niet moeilijk in de musical Oliver! van Lionel Bart nog de echo's te horen van de door Chagall vereeuwigde fiedelaar op het dak, en de groepsdansen waarmee in het shtetl een bruiloft of bar-mitsva werd gevierd. De voor armoede en pogroms gevluchte emigranten namen hun onweerstaanbaar aanstekelijke muziek naar alle windstreken met zich mee, en dus ook naar de sjofele Londense daglonerswijk die East End heet. En daar bracht Lionel Begleiter, die zichzelf Bart noemde, zijn kinderjaren door.

Het is verleidelijk de pittoresk geschilderde zelfkant van het negentiende-eeuwse Londen – ontleend aan de roman van Charles Dickens, maar door Lionel Bart tot een zinderende musical gemaakt – gelijk te stellen aan de wereld waarin de jonge Begleiter zelf opgroeide. Net zo'n armetierige achtergrond, en net zo'n carrière van krantenjongen tot miljonair. De kansarme Oliver Twist zat in een weeshuis, sloofde zich af bij een louche begrafenisondernemer, werd ingelijfd in een onderaardse zakkenrollersbende en bleek tenslotte het verloren gewaande kleinkind van een vriendelijke rijkaard te zijn. Lionel Bart begon zijn loopbaan als krullenjongen bij een theatergezelschapje en verdiende fortuinen aan Oliver!.

Maar we moeten niet overdrijven.

Toen hij in april dit jaar aan kanker overleed, op 68-jarige leeftijd, schreven de Engelse kranten dat Lionel Bart als jongeman betrekkelijk moeiteloos aan een artistieke loopbaan kon beginnen: op zijn zestiende kreeg hij een beurs voor de lokale kunstacademie, en na baantjes bij een textieldrukker en een paar ontwerpstudio's kwam hij eind jaren vijftig als decorschilder terecht bij het progressieve Unity Theatre, dat een vrolijk en muzikaal soort vormingstheater opzette om de arbeidersklasse vertrouwd te maken met toneel. In diezelfde tijd belandde hij in een kringetje van jongens uit de heffe des volks, die in een koffieshop in Soho hun vetkuiven kamden en plannen beraamden om een Engelse draai te geven aan de rock 'n' roll van Amerikaanse sterren als Bill Haley en Elvis Presley. De eerste was Tommy Steele, voor wie Bart in 1957 de hit Rock with the Caveman schreef; de tweede was Cliff Richard, die in 1959 doorbrak met het door Bart geschreven Livin' doll – een zangerig voortdansend deuntje met rijmwoorden die net iets slimmer waren dan de gemiddelde rock-tekst uit die dagen: ,,Got to do my best to please her/ just cause she's a/ living doll...'

In muzikaal opzicht was Lionel Bart een volstrekte amateur, die hooguit met één vinger op de piano kon spelen wat hij bedoelde. Een simpelman was hij echter niet, daarvoor had hij te veel verschillende muzikale bronnen in zijn hoofd. Rock 'n' roll was er slechts één van, en kon in bepaalde gevallen uitstekend dienst doen voor een lekker liedje. Maar hij droeg ook de straatliedjes uit zijn jongensjaren met zich mee, en de gekke effectjes uit de muziek bij de eerste tekenfilms die hij had gezien, het operette-achtige sentiment uit de grote Amerikaanse musicals en de inhaak- en meezingnummers uit de music hall die op de radio te horen waren. Zijn kracht was dat hij al die uiteenlopende bronnen kon aanboren – hij schreef niet in één stijl, hij schreef voor ieder personage in iedere situatie een lied dat bij uitstek paste.

Volkstoneel

Voor de vernieuwende theaterproducente Joan Littlewood, die hij bij het Unity Theatre had leren kennen, maakte Bart in 1959 twee musicals die haar ideaal benaderden: toegankelijk theater was het, dat alle lagen van de bevolking naar binnen lokte met de muziek en de taal van het volkstoneel, en dat tegelijk een satirische of anderszins maatschappijkritische boodschap vertolkte. Op het internationale repertoire zijn die twee shows – Fings ain't wot they used t'be en Lock up your daughters – nooit terechtgekomen, maar in Engeland waren ze een groot succes. Volgens de geschiedschrijvers van de musical friste Lionel Bart het genre op door niet alleen het oor van de middenklasse te strelen, maar in de muziek ook volkse invloeden toe te laten. En hetzelfde gold voor de taal; tot in de titel van de eerste productie drong het cockney uit de Londense volksmond door.

Fings ain't wot they used t'be was een geromantiseerde reconstructie van de gemeenschapsgeest in een vooroorlogse volkswijk, en Lock up your daughters gebaseerd op een achttiende-eeuwse klucht. Uit die twee beginwerken vloeide, in 1960, Oliver! voort. Ook daarin bezingen de verworpenen der aarde immers in onvervalste volkstaal hoe the likes of such as me onbezorgd gelukkig zijn in hun sloppen, stegen en spelonken, en ook daarin is menig tafereeltje kluchtig getint. Het burgermansengagement van Charles Dickens, die de negentiende eeuw in al haar schrille tegenstellingen schilderde, zonder tot de revolutie op te roepen, vormde voor Bart vooral aanleiding voor een pakkend verhaal met helden en boeven.

Maar geen zwart-wit-verhaal. Zelfs de jood Fagin, die aan de kost komt door van een groep losgeslagen jongetjes een bende zakkenrollertjes te maken, zou in een ideale wereld wel iets beters te doen weten. In zijn komisch-berekenende solo Reviewing the situation zet hij de alternatieven tegen elkaar af. Misschien een ordentelijk baantje? Ja, wie weet. Hij begint er al, gehaaid rijmend, over te fantaseren: so a job I'm getting possibly/ I wonder who my boss'll be... In hetzelfde couplet ziet hij echter meteen ook de keerzijde van zo'n slavenbestaan. Nee, dan toch maar liever zijn huidige status: You've got to pick a pocket or two, boy. Wie dat lied voor het eerst hoort, kan het laatste woord gemakkelijk verkeerd verstaan: boy lijkt verdacht veel op oi. Expressief haalt Fagin zijn schouders op; zo zit het leven nu eenmaal in elkaar. Niets aan te doen.

Oliver! is, wellicht meer dan enige andere musical, een grote, bonte kermis van muzikale genres. Ballades, marsmuziek, een typisch musical-duet als I'd do anything, kwieke draaimolendeuntjes, smartlappen, een ouderwets hoempapa-nummer dat dan ook ronduit Oom-Pah-Pah heet, een veelgelaagde canon als Who will buy, treurzangen als Food, glorious food en Boy for sale, en een tijdloze song als As long as he needs me, die door Shirley Bassey tot een hit werd gemaakt – alles komt voorbij, als in een optocht die nooit meer lijkt op te houden en toch voortdurend afwisselend blijft. De vergelijking is niet eens vergezocht; zelf zei Bart later dat hij het ritme van de liedjes had afgestemd op het persoonlijke loopje van ieder personage.

Te somber

De show was een triomf, eerst jarenlang in Londen, toen jarenlang op Broadway, in 1968 in een breed uitpakkende verfilming die regisseur Carol Reed een Oscar opleverde, en daarna nog menigmaal in nieuwe producties.

Alleen in Nederland, in 1963 met Johnny Kraaykamp als Fagin, lukte het niet. Te somber, te donker, te ongezellig voor het Nederlandse publiek dat enkele jaren eerder in drommen op My fair lady afkwam.

In de jaren zestig schreef Lionel Bart nog twee andere musicals (Blitz! en Maggie May) en de hit From Russia with love voor de gelijknamige James Bond-film. Het succes van Oliver! kon hij echter niet meer evenaren. Zijn voorlaatste musical, over Robin Hood, was een treurige mislukking en zijn laatste, gebaseerd op Fellini's La strada, een daverende flop: al meteen na de eerste avond op Broadway, in 1969, werd de productie van het repertoire genomen. Eén keer, in Oliver!, kwam alles samen. Daarna niet meer.

Zelf was Bart allang miljonair, zodat hij zich als dertiger in bonis volop in de opwinding van de jaren zestig kon storten. Zijn huis met 27 kamers in een modieuze Londense wijk werd een pleisterplaats voor beautiful people als Mick Jagger, Noel Coward, prinses Margaret, Beatle-manager Brian Epstein, zijn idool Judy Garland en een ontelbaar aantal uitvreters. Eens werd hij wakker en zag de acteur Oliver Reed en Who-drummer Keith Moon min of meer bewusteloos op zijn voeteneinde liggen. De voorgaande nacht was er, als gebruikelijk, veel gedronken en gerookt, terwijl er ook LSD-pilletjes de ronde deden. Ergens in zijn huis stond ook altijd een schaal met bankbiljetten ter waarde van duizend pond – voor wie plotseling contant geld nodig had.

,,Mijn vader was een gokker', zei Bart tegen The Independent, ,,en daar werd thuis voortdurend ruzie over gemaakt. Daardoor heb ik een hekel aan geld gekregen. Ik heb er geen enkel respect voor. Mijn houding is altijd geweest dat ik het uitgaf zodra ik het had.'

In 1972 moest hij zich failliet laten verklaren. De auteursrechten op Oliver! had hij al eerder verkocht voor een schamel bedrag ineens, om de productie van zijn laatste musical mogelijk te maken. Ze zijn nu eigendom van de machtige musical-producent Cameron Mackintosh, die overigens wel zo vriendelijk was Bart een percentage van de winst te geven toen de show een paar jaar geleden een zeer succesvol tweede leven in het Palladium-theater in Londen kreeg.

Met die laatste productie hield Lionel Bart zich ook intensief bezig. ,,Hij liet niet na te benadrukken dat de voorstelling de avontuurlijke levensreis van Oliver Twist moest laten zien', zegt Ken Caswell, die betrokken was bij de Londense productie en nu de nieuwe Nederlandse versie regisseert. ,,Dat was de reden waarom er in de oer-uitvoering veel scènes op een draaitoneel waren geënsceneerd, zodat je snel van de ene situatie naar de volgende kon gaan. Hij blééf maar zeggen dat hij die reis wilde zien, zo vaak dat we soms verlangend uitkeken naar het moment waarop hij eindelijk zijn mond zou houden. Maar je kon ook merken dat hij al ziek was. Soms reageerde hij traag en een beetje verward, terwijl hij af en toe ook nog hevig uit zijn slof kon schieten.'

De man die niet alleen een huis in Londen bezat, maar ook in New York, Malibu en Tanger, bewoonde in zijn laatste levensjaren een etage boven een winkel in de schrale Londense wijk Acton. Ondanks alle tegenslagen liep hij twintig jaar lang te leuren met een musical-bewerking van De klokkenluider van de Notre Dame, waar geen enkele producent brood in zag. ,,Maar tragisch vond ik hem niet', zegt Caswell. ,,Hij zei ook dat hij nergens spijt van had en met volle teugen van het leven had genoten. En vergeet niet: hij was lang niet de enige musical-auteur die het met één groot, alleroverheersend succes moest stellen. Al die jaren dat Lionel ergens zijn roes lag uit te slapen, werd er wel ergens op de wereld een Oliver! gespeeld.'

De Nederlandse versie van Oliver! gaat op 19/9 in première in theater Carré in Amsterdam, met Arjan Ederveen als Fagin. Vanaf januari speelt hij de rol beurtelings met Willem Nijholt. Tournee langs twaalf grote theaters t/m juni 2000. Inl. (0900) 3005000.