Een kwestie van loyaliteit

Ted van Lieshout, veelvuldig gelauwerd schrijver voor kinderen en jongeren, begint zijn nieuwste dichtbundel Zeer kleine liefde met vertrouwd aandoende verzen. Zoals wel vaker dicht hij vanuit het perspectief van een kind, over een vader die de dood in verdween. Het gaat niet vervelen. Zijn taal is helder. De dingen die hij opmerkt verrassen doordat ze, in zekere zin, juist voor de hand liggen. Ze waren er altijd al, maar hadden Van Lieshout nodig om gezien te worden: `Want nog komt de zon door het raam / en legt zich vierkant op tafel, met nergens meer een schaduw / van een vader aan het hoofd. Ik zie: de zon tekent na / dat ondanks een verloren vader, ik besta. Ik besta. Ik besta!'

Vertrouwd klinken ook de gedichten die Van Lieshout aan de seizoenen wijdt, door hun humor. In de herfst dekt de ik-figuur een `paddestoeltje' zachtjes toe met een blad: het is te teer voor een `lompe kabouterkont'. In de winter hupt een mus door de sneeuw: `zenuwachtig [...] van de kouwe voetjes of van/de weg kwijt [...]'. Het zijn typische Van Lieshout-vondsten.

Het gedicht `Dordrecht 1968' is het keerpunt in Zeer kleine liefde. Ineens is er sprake van een meneer, van `mijn meneer' zelfs. En dan is het min of meer gedaan met de vertrouwdheid. Al doken er in Van Lieshouts werk wel eerder onbestemde `ooms' op – volwassen mannen die de hoofdpersoon van rond de twaalf jaar met meer dan gewone belangstelling bekeken – Zeer kleine liefde gaat nadrukkelijk en expliciet over een pedofiele verhouding.

Van Lieshout nam naast onthutsende en ontroerende gedichten over dit onderwerp brieven op, twee van de man en een antwoord van de inmiddels volwassen geworden jongen. Brieven waarin de man om vergiffenis vraagt, 25 jaar na dato, en de jongen uitlegt dat dat niet aan de orde is. `U bent er natuurlijk niet verantwoordelijk voor dat de maatschappij seks tussen volwassenen en kinderen afkeurt,' schrijft hij. Spijt of wrok heeft hij nooit gevoeld, eerder trots, maar ook schaamte en schuld, angst voor `de afkeuring van kerk en maatschappij.'

Ted van Lieshout lijkt er geen misverstand over te willen laten bestaan dat hij de bewuste jongen geweest is. `De twee brieven in dit boek zijn niet de echte brieven, omdat het verboden is om brieven die je van een ander krijgt zonder toestemming in een boek af te drukken [...]. Daarom zijn de persoonsgevoelige delen geschrapt en is wat resteerde naverteld. [...] Dat beide namen zijn geschrapt, is een kwestie van loyaliteit,' stelt hij in zijn nawoord. Het omslag van de bundel wordt gesierd door een foto van een twaalfjarige Ted. De bundel zelf is geïllustreerd met foto's gemaakt door een twaalfjarige Ted. Het is mij een raadsel waarom Van Lieshout lijkt te willen benadrukken dat alles `echt gebeurd' is. Het voegt aan het boek niets toe.

De brieven in Zeer kleine liefde zijn onvergelijkelijk veel eendimensionaler dan de gedichten. Juist de vergaande openheid maakt ze afstandelijk. Zo recht voor zijn raap blijft het nadrukkelijk het verhaal van een ander. Wellicht zag Van Lieshout een verdere abstrahering van deze uitzonderlijke liefde tot enkel gedichten, tot enkel kunst, als een zwaktebod. Misschien wilde hij iets inbrengen tegen de huidige verkettering van pedofielen. Maar uiteindelijk is het uitsluitend de poëzie van Ted van Lieshout die iets overbrengt, van hoe het is en was, van hoe het voelt en voelde, van hoe het kan zijn.

Ted van Lieshout: Zeer kleine liefde. Gedichten, brieven en foto's. Uitgeverij Leopold. Vanaf 12 jaar.

43 blz. ƒ24,90

    • Judith Eiselin