Een geschiedenis van één meter

Te Parijs, in het gebouw der Staatsarchieven, bevindt zich in een kluis een staaf van platina met een rechthoekige doorsnede, waarvan de middelpunten der eindvlakken, bij een temperatuur van smeltend ijs, precies één meter van elkaar zijn verwijderd. Deze staaf is een van de revolutionaire voorwerpen die een einde hebben gemaakt aan de chaos in de wereld der maten en gewichten, waarin brandhout per koord werd verkocht, houtskool per kar, steenkool per bekken, oker per vat, timmerhout per merkteken of balk, fruit voor het maken van cider per mand, zout per mud, sétier, mine, minot, scepel of maatje, kalk per ponsoen, erts per razière, haver per portie, pleister per zak, textiel, tapijten en behang per vierkante el, bossen en weilanden in vierkante roeden, wijngaarden in daureés. Lengtes werden gemeten per vadem of toise en Peruaanse voet, die gelijk stond met een duim, een nagel en acht punt van de voet des konings, en dat was dan toevallig de voet van koning Philictère, die van Macedonië, die van Polen, en ook die van de steden Padua, Pesaro en Urbino. Deze voet lag heel dicht bij de voet van de Franche-Comté, Maine en Perche en de Bordeauxse landmetersvoet. In Marseille was de stok voor het meten van laken ongeveer eenveertiende lager van die voor zijde.

Genoemde staaf is niet slechts een uitvloeisel van het gemak dat de mens moet dienen (één wereld, één maat) maar het resultaat van de totalitaire beginselen van de Franse Revolutie. Alle mensen als broeders gelijk, égalité in alles, ook als het om meten gaat. Numismatici die in onze euro-dagen klagen over de verdwijning van een verscheidenheid aan Europese munten, de standaardmeter heeft uiteindelijk een veel grotere veelkleurigheid weggevaagd.

Een staaf in een kluis is een prozaïsche zaak. Het heeft echter een reis van zeven jaar en duizend kilometer gekost om één uitgerekende standaardmeter verder te komen. En wie in Denis Guedjs Het meten van de wereld de geschiedenis leest van de totstandkoming van de universele meter vindt een verhaal vol ontberingen, natuur- en mensengeweld, Frans uithoudingsvermogen, zieleleed en lijfschade. Natuurlijk had had men het zich een stuk gemakkelijker gemaakt door een bestaande of willekeurig nieuwe lengte als standaard te nemen, maar een relatie tot de maten van de wereldbol zou de meter portée geven, noodzakelijkheid. Besloten werd derhalve het tienmiljoenste deel van de afstand van pool tot evenaar via het Panthéon in Parijs als standaardmaat te nemen. Men achtte het niet nodig die hele afstand daadwerkelijk op te meten om de lengte van de meridiaan te kennen, dus werd de afstand van Duinkerken tot Barcelona gemeten, een lengte die we tegenwoordig ongeveer duizend kilometer zouden noemen. Twee leden van een verzameling knappe koppen werden uitgezonden om de metingen te verrichten. De astronoom Delambre per berline richting Duinkerken, zijn collega Méchain reisde per identieke koets naar Barcelona, beiden met een instrumentarium van ettelijke razières of ponsoens, gemaakt voor zogenaamde driehoeksmetingen. Ik zal U de complicaties van het meten met de toenmalige repetitiecirkel besparen, maar de observaties moesten vanaf bergen, kerktorens en zelfgebouwde platforms worden gedaan, en alleen dat leverde halsbrekende toeren op. Daarbij had men geen slechtere tijd kunnen bedenken voor een onderneming als deze. De politieke toestand in het revolutionaire Frankrijk wisselde van dag tot dag, controleposten langs de wegen kregen voortdurend andere instructies en Spanje begon een oorlog, zodat vooral de zuidelijk opererende Méchain nauwelijks opschoot. Zijn pechvogel-avonturen buitelen over elkaar heen.

Het meten van de wereld is een historische roman. Als onderkast-lezer had ik de geschiedenis van 1 meter liever anders gepresenteerd gezien. Meer documenten, brieven, illustraties, ik stel me voor dat die al bont genoeg waren. Nu moeten we ons ergeren aan sjablonenboek-psychologie, aan uitroepen als `Wat voelde Méchain zich prettig in dit hartelijke gezin!' of `Wat een fantastische verrassing!' en zoeken we vergeefs naar mooi historische-romanproza. Aan de andere kant: Het meten van de wereld leest als een spannend jongensboek en Guedj verzuipt nergens in de stortvloed van gebeurtenissen die hij beschrijft, geen geringe verdienste gezien de uitzonderlijke wirwar aan wetenschappelijk- en politiek-historische complicaties van de beschreven tijd. Want aan de geschiedenis van 1 meter hangt de hele Franse Revolutie, en de chaos die deze omwenteling teweegbracht was enorm.

De standaardmeter mag dan een revolutionair idee zijn geweest, de universele invoering ervan was verre van een revolutie. Bij de presentatie in 1799 nodigde initiatiefnemer Talleyrand weliswaar geleerden uit negen landen (waaronder de Bataaf Van Swinden) uit, nog in 1872 was de oprichting van een Commission Internationale du Mètre noodzakelijk. Maar de meter lag klaar, uitgevoerd in platina, in genoemde Parijse archiefkluis. Eenmaal per jaar wordt hij afgestoft. Die eer hebben de onderzoekers Delambre en (vooral) Méchain wel verdiend.

Denis Guedj: Het meten van de wereld. Vert. Jose Rijnaarts en Stanneke Wagenaar. Bert Bakker, 299 blz. ƒ49,90