De buitengalerie

`De mensen hier zijn geïnteresseerder.' Galeriehouders in Zoelen, Zuidwolde en Harlingen over hun kunstvoorkeuren en hun publiek.

De buitengalerie. Zo wordt de kunstgalerie genoemd, die niet gevestigd is in de grote stad. In de jaren zeventig was er een beroemde. De kapitaalkrachtige boer Waalkens in Finsterwolde, `hartstochtelijk verzamelaar', verbouwde zijn koeienstal en stelde er voornamelijk abstracte, eigentijdse werken tentoon. Dat doet hij nog. Hij kan `risicovolle' kunst laten zien, die niet meteen wordt `begrepen' door een groot publiek. Naar eigen voorkeur, zonder zich om de commercie te hoeven bekommeren.

In Nederland zijn er maar weinig galeries die zich zoiets kunnen permitteren. In haar onlangs verschenen proefschrift Passie of professie, galeries en kunsthandel in Nederland beschrijft Truus Gubbels de opkomst van het galeriewezen vanaf de jaren zestig. Toen waren er enkele tientallen, nu enkele honderden. Het verloop is groot, want voor een galerie uit de kosten is duurt het zo'n vijf à zeven jaar. Ongeveer twintig galeries hebben volgens Gubbels een omzet van boven de miljoen, zo'n honderd verdienen `enkele tonnen', terwijl het merendeel een bescheiden winst maakt, quitte speelt of zelfs verlies lijdt. Het grote aantal bestaande galeries geeft, schrijft zij, `een caleidoscopisch beeld' te zien. Wat betreft de kwaliteit die zij nastreven en wat betreft hun `ideologie'. Volgens haar houdt het merendeel van de galeries buiten Amsterdam zich niet bezig met de avant-garde, maar met meer traditionele kunstuitingen.

Er wordt wel gedacht dat het runnen van een galerie in de provincie een hobby is van een mevrouw met veel vrije tijd en een grote interesse voor kunst. Famke van der Kooi, van de gelijknamige galerie in Zoelen in de Betuwe, ontkent die stelling. ,,Ik denk dat een doktersvrouw met vriendinnen die zo leuk aquarelleren, het niet lang volhoudt'', zegt zij. ,,Het is een ontzettende klus. En zonder kwaliteit red je het niet.''

De galerie van Maria Chailloux is een van de 103 galeries in Amsterdam, gevestigd op het Prinseneiland, een dorps stukje stad. Zij brengt al tien jaar eigentijdse, niet altijd `gemakkelijke' kunst. Chailloux, die haar galerie zelf sponsort door het bedrijfsleven op kunstgebied te adviseren: ,,Zowel in de stad als in de provincie vind je veel niet-professionele galeriehouders. Dat zijn eigenlijk meer kunstwinkels. Die verkopen `een Corneille' of `iets van Cobra', alsof het dingen zijn. Ze denken alleen aan wat in de mode is, zonder zich te bekommeren om de inhoud van het kunstwerk.'' De betere galeriehouder, waar ook gevestigd, moet volgens Chailloux geloven in zijn kunstenaars en achter hen blijven staan, ook als het lang duurt voor het werk verkoopt. In Passie of professie laat Gubbels voormalig galeriehouder Wim van Krimpen (thans directeur van de Kunsthal in Rotterdam en het Fries Museum in Leeuwarden) aan het woord. Hij zegt onder meer: ,,Een goede galeriehouder brengt wat de galeriehouder zelf zou willen kopen. Dat is een subjectief programma.'' Chailloux: ,,Je moet een een goede neus hebben, intuïtie. En je moet de wortels kennen, een referentiekader naar het verleden, anders begrijp je bepaalde ontwikkelingen niet.''

Famke van der Kooi leerde begin jaren zestig de basisvaardigheden van het tentoonstellen als museumassistent in het Tropenmuseum in Amsterdam. Zetrouwde, kreeg kinderen. Zodra het kon, ging ze weer werken. Onder andere bij de Stichting Beeldende Kunst (SBK) in Amsterdam, het eerste Nederlandse kunstuitleen-instituut. Daar leerde ze een aantal kunstenaars kennen, met wie ze nu nog banden onderhoudt en die regelmatig bij haar exposeren, zoals Jef Diederen, Pieter Defesche, Paula Thies en Jeroen Henneman. Ze bezocht ateliers, leerde werk selecteren.

In 1980 ging ze kunstgeschiedenis studeren in Utrecht, ze wilde zich toeleggen op moderne kunst, maar die afdeling werd opgeheven. Dus werd het 17de eeuwse iconologie, gedoceerd door hoogleraar Eddie de Jongh. ,,Daar heb ik leren kijken'', zegt ze. Een baan in een museum was niet voorradig en ze begon bedrijven bij hun kunstaankopen te adviseren. Op zoek naar een `showroom', in 1990, vond ze een oud molenaarshuis en besloot in de deel een galerie te beginnen. ,,Iets met een steedse, nuffige sfeer. Geen zemelen en zelfgedraaide bonenpuree. Kwaliteit moest het uitgangspunt zijn.''

Hebberig

Maar hoe herken je dat? ,,Dat is moeilijk uit te leggen. In de 17de eeuw waren er regels en criteria waaraan een kunstwerk moest voldoen. Die zijn niet meer van toepassing op de moderne kunst. Je kunt het werk van Jeroen Henneman niet vergelijken met dat van Hans Bayens en toch kun je vinden dat beiden kwaliteit hebben. Mijn eigen criterium is of ik het ergens voel kriebelen, er hebberig van word, voor mezelf of voor de galerie.''

Voor een deel bestaat haar `stal' nog uit haar oude bekenden uit Amsterdam en uit jonge Utrechtse, Haagse en Rotterdamse kunstenaars. Nieuw talent wordt haar aangeraden door de ouderen of vindt ze zelf ,,door overal waar je maar kunt, te gaan kijken en door veel te lezen''. Het merendeel van wat zij verkoopt is expressionistisch, met figuratieve elementen. Dit jaar hield zij voor het eerst iets over, na aftrek van alle kosten, ,,inclusief een representatief mantelpakje''.

,,Het aanbod aan kunst is in Amsterdam zo groot dat het je haast niet meer opvalt. Dat is een nadeel van de stad'', aldus Maria Chailloux. ,,De mensen die hier komen, zijn écht geïnteresseerd'', zeggen de buitengaleristen. De drempel van veel stadsgaleries zou hoog zijn. ,,Je durft er nauwelijks naar binnen, zo eng ziet het er vaak uit'', zegt een galeriste. De buitengalerie moet laagdrempelig zijn en gastvrij voor de bezoeker die van ver komt. De buitengaleristen adverteren veel in landelijke dagbladen, of doen mee aan activiteiten van de lokale VVV. Is het publiek eenmaal binnen, dan zouden ze beter en langer rondkijken dan in de stad gebruikelijk is.

,,Laatst had ik hier twee dames die uren zijn gebleven'', zegt Tonnie Koerhuis. Samen met haar man beheert ze in het Drentse Zuidwolde de Museumboerderij International Arts Gallery The New Greenwich Village. Tweeënhalfjaar kochten ze die van de Canadese kunstenaar en verzamelaar John Cordell, onder de voorwaarde het `museum' in stand te houden. Achtentwintig jaar geleden begon Cordell in de oude koeienstal een bonte mengelmoes van schilderijen en objecten te exposeren. Nu hangt er vlak onder de gerestaureerde zoldering een naaktstudie van Isaac Israels, gemaakt op achttienjarige leeftijd. Vlak daarnaast is grafiek opgehangen van Anton Heyboer, gekocht door hun zoon. De stal (evenals de tuin) staat vol met keramiek en beelden.

De Koerhuizen zijn beiden tevens werkzaam in de detailhandel, hij als bedrijfsleider in een supermarkt, zij bij een drogisterij. ,,Maar we zijn altijd met kunst in de weer geweest'', zegt Tonnie. Ze heeft als vrijwilligster in het Grafisch Museum in Meppel gewerkt, haar man schildert. Op museum- en galeriegebied zijn ze `self-made'. Ze lezen kunstbladen als Vitrine en Kunstbeeld. 's Winters, als het museum dicht is, gaan ze naar ateliers, galeries en veilingen. De exposanten komen tot nu toe uit de buurt.

Bij Galerie de Vis in Harlingen spettert deze zomer het Friese landschap van de muren, een groepstentoonstelling van veertig - meest expressionistische - kunstenaars uit Friesland en daarbuiten. Galeriste Geke Westenberg: ,,Ons landschap, daar zijn wij wijs op.'' Ook hangt er nieuw werk van Eugène Brands, inmiddels 87. Westenberg: ,,Hij zei: dat doe ik voor dat meisje daar in Friesland.'' Sinds vijf jaar runt ze ,,met hier en daar hulp'' in haar eentje de achttien jaar oude galerie. Evenals Van der Kooi is ze maandag en dinsdag op pad, gaat naar galeries en ateliers, naar beurzen en tentoonstellingen, verzorgt het drukwerk en de catalogi. Ze komt ,,uit de agogische hoek'', was directrice van een kindertehuis en volgde twintig jaar geleden een opleiding tot keramiste op de Academie Minerva in Groningen. Haar beelden ,,gingen vlug de deur uit'', evenals het werk van haar schilderende en beeldhouwende ex-echtgenoot. ,,Van lieverlee groeide de galerie'', vertelt Westenberg. De noordelijke schilders kende ze uit haar Minerva-tijd, die kon ze gemakkelijk strikken. Dat De Vis goed loopt, wijt ze aan de uithoek waar ze zit en de bijzondere kunst. ,,Mensen die van kunst houden, reizen. Tachtig procent van de klanten komt niet uit Friesland. De opbrengst van de galerie is geen vetpot, maar ik heb een boterham.''

Hoe kiest ze haar kunstenaars? Westenberg: ,,Ik houd oren en ogen open. Wat je mooi vindt, is een persoonlijke keuze, dat is niet te beredeneren. Er wordt zo veel gemaakt dat het nét niet is. Van die kunst die aanvankelijk gemakkelijk oogt, mooi en kleurig, maar zonder ziel. Daar word ik akelig van.''

Soms heeft een galerie een educatieve functie, zoals de De Kapberg in Egmond aan de Hoef, gevestigd in een boerderij, een gemeentelijk monument. ,,Een diepte-investering'', noemt de voorzitter van de stichting met vrijwilligers die De Kapberg draaiend houdt, Theo Ponsioen, die educatieve activiteit. De jeugd uit de drie Egmonden (aan den Hoef, Binnen en aan Zee) bekijkt een expositie, moet vragenlijsten invullen en iets maken. ,,Zo leer je ze kunst ervaren.'' De Kapberg trekt jaarlijks zo'n vierduizend bezoekers. ,,Een galerie zonder winstoogmerk, dat zie je niet zo snel in de stad,''zegt Suzanne de Zwart, al twaalf jaar drijvende kracht achter De Kapberg. De galerie toont werk van jonge en gevestigde kunstenaars, voor `een zo breed mogelijk publiek'.

,,Wat is dit mooi, maakt u dat nou allemaal zelf?'' zei een bezoekster een paar jaar geleden na een bezoek aan de zomertentoonstelling van verschillende kunstenaars in de galerie van Van der Kooi. Waarop de galeriehoudster had willen zeggen: ,,Ja, u moet namelijk weten: ik ben een genie.''

`Mensen die van kunst houden, reizen. Tachtig procent van mijn publiek komt van buiten de provincie'

    • Ite Rümke