Dansen als de meeuwen

Veldbioloog Niko Tinbergen was in de jaren dertig te gast bij de Inuit op Groenland. Wat hij terugbracht is te zien op de expositie `Eskimoland' in Den Haag.

Op de tentoonstelling `Eskimoland' in het Haagse Museon hangt een foto uit 1932. Een jonge man en vrouw, poserend voor een stoomschip, de Gertrud Rask, op de kade van Kopenhagen. Het zijn de veldbioloog Niko Tinbergen (1907-1988), de latere Nobelprijswinnaar, en zijn vrouw Lies Rutten, aan het begin van een meteorologische expeditie. Tinbergen heeft een keurig pak aan en ook zijn vrouw is onberispelijk gekleed. Dat maakt een bizarre indruk als je weet waarheen ze op weg zijn: naar Ammassalik, een van de meest geïsoleerde nederzettingen van de Inuit die destijds op Groenland te vinden waren. Je kunt je niet voorstellen dat ze iets aan die kleren hebben gehad. Tenzij ze hun traditionele Europese kostuums konden ruilen tegen een stel versierde kamikken, een broek van vossenbont met een kruis van zeehondenvel en een warm jack van ijsberenvacht.

Tinbergen had van het `Museum ten bate van het Onderwijs' (het tegenwoordige Museon) het indertijd grote bedrag van vijfhonderd gulden meegekregen om traditionele eskimo-uitrustingen, beeldjes, maskers en andere etnografische voorwerpen te verzamelen. De Inuit hadden niets aan geld en daarom kocht hij in Kopenhagen stoffen, tabak, suiker en kralen om te kunnen ruilen. Enige tijd na hun aankomst in Ammassalik verhuisden zijn vrouw en hij naar de afgelegen plek Kuummiut. Daar wachtten ze op de komst van de sneeuwgorzen, die er juichend werden ingehaald omdat ze het einde van de lange winter markeerden. De tekenaar en onderwijzer Kavkajik (Karale) Andreassen (1890-1934), met wie ze bevriend raakten, bood hun onderdak in zijn kleine houten huis.

Ze leerden de taal (zoals `oqalugpagdlarâtit' = je praat te veel), en gingen met Inuit mee jagen en zalmen vissen. Tinbergen ontdekte al snel lokale vorm- en kleurverschillen tussen de zalmen uit verschillende fjorden. Veel later in zijn leven vertelde hij nog over de voor het ontbijt gevangen zalmen, die zonder zout werden gegeten. Zonder zout proefde je pas hoe de dingen echt smaken. Hij genoot van het landschap en beschreef stemmingswisselingen met een fijn gevoel voor nuances. Zoals het plotseling stil worden van de sneeuwgorzen, zodra er enkele sneeuwvlokken vielen. Toen hem, niet lang na de oorlog, gevraagd werd wat hij het mooiste landschap ter wereld vond, noemde hij de Boschplaat op Terschelling en de fjorden van Oost-Groenland.

Het was niet alleen voor het echtpaar een indrukwekkende periode geweest, ook de biologie had er baat bij. Want wie het spoor terugvolgt naar de oorsprong van de ethologie, de bestudering van het gedrag van dieren in hun natuurlijke omgeving, komt onherroepelijk uit bij de Groenlandse periode van Niko Tinbergen. Hij deed er originele observaties over het gedrag van sledehonden en allerlei vogels van het poolgebied. Dat hij daarnaast intensief etnografica verzamelde, was nieuw voor me.

Diersporen

Op een foto waarop hij, in plaats van zijn pak, warme Inuitkleding draagt, steekt achter zijn schouder schuin een geweerloop de lucht in. Hij moest zich in noodgevallen kunnen verdedigen tegen ijsberen en heeft eens een zeehond geschoten om te oefenen. Ik weet niet of hij van die dode zeehond het sleepspoor in de sneeuw heeft vastgelegd. Tinbergen heeft zijn leven lang diersporen gefotografeerd. Het leek een onbetekenende bijkomstigheid in zijn geleerde oeuvre, maar ook daarover heeft hij natuurlijk weer een prachtig boek samengesteld: Tracks. Voor hem was het ondenkbaar dat je iets zomaar voor je plezier zou doen, zonder dat er iets tastbaars uitkwam.

Mensen die ergens succes mee hebben gekregen, kunnen niet altijd de verleiding weerstaan om het spoor erheen uit te wissen. In Tinbergens hoofd zou dat idee niet eens zijn opgekomen. Hij documenteerde steeds nauwgezet zijn eigen sporen en vergat niet zijn `misstappen' te noteren: ,,Ik kan nog blozen over mijn incompetentie, als ik terugdenk aan een gebeurtenis, die ik niet zou kunnen vergeten, zelfs als ik het zou willen. Ik raakte de controle over een slee kwijt. Die gleed sneller dan de honden liepen, passeerde hen een voor een en trok hen in duizelingwekkende vaart mee omlaag over sneeuw, rotsen en ijs, tot het hele zaakje beneden op het fjordijs tot stilstand kwam met uitgeputte en gekneusde honden overal er omheen.''

Ik ben blij dat ik Tinbergens biograaf niet ben, want er valt weinig eer aan te behalen. Aan de kwaliteit van zijn werk twijfelt waarschijnlijk geen enkele bioloog en als persoon was hij integer en innemend. Het enige dat eventueel minder prettig was voor wie dicht in zijn omgeving werkte, was zijn diepgewortelde schuldgevoel en plichtsbesef. Tinbergen had in zijn middelbare schooltijd veel gespijbeld om door de duinen te zwerven en te hockeyen en was daarmee doorgegaan tijdens zijn biologiestudie aan de Leidse Universiteit. Van de vergelijkend anatomen pikte hij alleen op wat hij gebruiken kon en bleef zo onorthodox genoeg om de ethologie van de grond te krijgen. Het zou kunnen dat hij er zich schuldig over voelde een riant salaris te ontvangen voor activiteiten die hij onmiddellijk met spijbelen associeerde.

Wat Tinbergen vroeger spijbelend als liefhebberij deed, heette nu zijn werk te zijn. Maar wat had de maatschappij daaraan? Hij voelde zich buitengewoon bevoorrecht, maar had wel eens de neiging van anderen te eisen dat ze onder eenzelfde plichtsbesef leden. Bij een van de schaarse gelegenheden dat hij met een stel leerlingen wat dronk op een terras, liet hij zich ontvallen: ,,Zeg, wat zitten we hier weer heerlijk te feesten.'' Eigenlijk mocht het niet. En kennelijk had hij er grote moeite mee te ontspannen. Toen hij in 1949 naar Oxford vertrok om daar zijn ethologisch evangelie uit te dragen, ging Piet Sevenster mee als zijn assistent. Die herinnert zich nog goed dat wandelen op een vrije dag struinen betekende. Over hekken klimmen, door weilanden baggeren, vogelnesten zoeken en liefst ook nog, met behulp van stafkaarten, opsporen waar eens een Romeins pad had gelopen.

Waarschijnlijk is Tinbergens schuldgevoel ook een belangrijke sleutel tot zijn succes geweest, want zolang hij maar schreef had hij er geen last van. Als hij niet in het veld was, zat hij van zonsopgang af fluitend achter zijn typemachine. Misschien dat hij dan eindelijk het gevoel had zich nuttig te maken voor de samenleving. Door over zijn werk te schrijven voor een breed publiek, zou hij honderden, of zelfs duizenden lezers in staat stellen met hem mee te genieten.

Proclamatie

Het idee om duizenden mensen te laten meegenieten van iets bijzonders, spookte in Groenland al door zijn hoofd. Alleen werd deze nieuwsgierige menigte daar niet te hulp geroepen om zijn eigen schuldgevoel te verlichten, maar om de Inuit ertoe te bewegen hun mooiste voorwerpen af te staan. Door de bemiddeling van zijn vriend Karale liet hij een proclamatie uitgaan, waarin werd vermeld dat de mensen uit het Lage Land hadden vernomen hoe bekwaam de Inuit waren in het maken van kleding, kajaks, maskers en beeldjes en dat ze daarvan graag voorbeelden wilden zien. Tinbergen schreef later: ,,We legden hun uit, dat we liefst voorwerpen hadden die werkelijk gebruikt waren, maar dat we alleen in de mooiste stukken van hun handwerk belang stelden, omdat de dingen zouden worden tentoongesteld op een plek, waar duizenden Púkitsormiut ze zouden komen bewonderen – we zouden niet graag onze landgenoten de indruk geven, dat de Eskimo's in enig opzicht onbekwaam waren.''

Tinbergen vond Nederlands onderwijs van groot belang en had er kennelijk geen moeite mee Inuit die eventueel van plan waren mindere dingen af te staan, bij voorbaat op te zadelen met een schuldgevoel.

De oproep werkte. Op de tentoonstelling in Den Haag is te zien dat hij heel wat mee terugbracht: een aantal mooi gekozen houten beeldjes met grimmige mensenkoppen en dierenlijven. Ze verbeelden kwade geesten of tupilaks en werden gesneden op verzoek van Europeanen, die wilden weten hoe deze mythische wezens eruit zagen. Verder maskers die niet zo mooi zijn als de vaak onnavolgbare Inuitmaskers uit het westen van Groenland, maar wel merkwaardig. Er is ook een later gevonden masker bij, dat de geest van de ongeschoren Tinbergen zou voorstellen. Verder een huidentent en een ongewoon grote kajak met daaraan vastgeknoopt benen of ivoren amuletten. Die kajak met een op Tinbergens postuur toegesneden mangat werd speciaal voor hem gebouwd. Zijn Inuitvrienden vonden het maar een zielige boot, maar Tinbergen was er erg blij mee en heeft er, na zijn terugkomst in Nederland, zelfs nog mee geduikeld op de Kaag.

Tinbergens gastheer Karale kwam uit sjamanistische kringen en bezat nog veel traditionele kennis, maar hij was op zijn negende jaar bekeerd tot het christendom. Hij maakte een aantal tekeningen op Tinbergens papier. Van dichtbij kun je vaag het watermerk HOLLAND zien staan. De tekeningen geven verschillende kanten weer van het traditionele bestaan: zeehondenjacht, zigzaggend kajakken tussen de ijsschotsen door, of twee mannen die zijn verwikkeld in een klassiek trommelduel, waarbij de betrokkenen proberen te winnen door te zingen, te dansen en elkaar te bespotten. Deze geritualiseerde vorm om een conflict op te lossen zal Tinbergen erg geïnteresseerd hebben.

Tinbergen begon, met enkele vrienden, in de jaren twintig met het fotograferen van vogels. Telelenzen bestonden nog niet, dus ze verschansten zich in een schuilhut. Vaak zaten ze urenlang te wachten op een uitgelezen moment om een van de glasnegatieven, waarvoor was gespaard, te belichten. Zo raakten ze goed getraind in het langdurig kijken naar vogelgedrag. Misschien is dat ook wel het geheim geweest van de klassieke etholoog, die nu al bijna weer is uitgestorven. Hij was bereid domweg te kijken naar wat er gebeurt, zonder erop uit te zijn om snel iets interessants te ontdekken. Het waren juist deze vogelkijkers die erachter kwamen dat gedragspatronen bij dieren star van vorm en context zijn.

Trommelduel

Je kon die stereotiepe houdingen ook beschouwen als een soort anatomische kenmerken, als vorm in actie. Dat was iets heel nieuws, want zelfs in biologische kringen was het in de jaren dertig nog gebruikelijk om te denken dat je anatomische kenmerken van diersoorten wél met elkaar kon vergelijken, maar gedrag niet. Gedrag was heel iets anders. Vluchtig, variabel, alweer voorbij voordat je het in de gaten had. Op geen enkele manier vergelijkbaar met een schouderblad, vingerkootje of kuitspier.

Net zo min als je tegenwoordig iemand die een broodje tartaar eet nog een Eskimo zou noemen, zou het destijds gepast zijn geweest om een dreigende dans van twee mensen op een ijsvlakte te vergelijken met de dreigbewegingen van meeuwen. Natuurlijk is het theater van twee Inuit, die in een trommelduel zijn verwikkeld, oneindig veel complexer dan de ondubbelzinnige en starre dreigbewegingen van twee meeuwen. Maar net als bij mensen bestaan de dreigbewegingen van meeuwen uit geritualiseerde houdingen, die hun oorsprong hebben in aanvals- en vluchtgedrag. Of denk aan het omgekeerde van dreigen, de begroetingsrituelen. Die moeten ervoor zorgen dat de afstand tussen twee dieren niet groter, maar juist kleiner wordt. Een begroetingsceremonie van een kokmeeuw beschreef Tinbergen als volgt: ,,Een wijfje nadert een mannetje. Het mannetje neemt een stereotiepe `schuinopgerichte houding' aan en slaakt een `juichtkreet'. Het wijfje landt en dan staan ze ineens evenwijdig naast elkaar met naar voren gerichte nekken. Vervolgens richten ze zich op en keren elkaar de nek toe.''

Op zich is dat misschien niet bijzonder, maar wat ik nog altijd zo prachtig vind, is de interpretatie van dat wegkijken. Wat voor zin zou het in godsnaam hebben om een andere vogel je nek te laten zien? Of toonden kokmeeuwen niet hun witte nek, maar verborgen ze hun aangezicht: het zwarte masker en vooral de gevaarlijke snavel, waarmee ze zonodig op een ander inhakken?

Dát was het. Moynihan, een van zijn medewerkers in Oxford, had het als eerste geformuleerd, maar het was Tinbergen die snapte dat hij iets belangrijks had gezegd. Wegkijken was een verzoeningsgebaar. Toen het bij kokmeeuwen eenmaal was gezien, bleek het bij veel andere meeuwensoorten ook voor te komen. Jarenlang hadden de ethologen uitgerekend van het wegkijken weggekeken. Al op Groenland was Tinbergen met meeuwen (grote burgemeesters) bezig geweest, maar vooral ook met franjepoten en sneeuwgorzen. Hij observeert franjepoten waar de wijfjes bont gekleurd en dominant zijn en de mannetjes op de eieren broeden. Hij volgt het vestigingspatroon van territoriale sneeuwgorzen. Het is nu gemeengoed geworden, maar het was toen nieuw om op te merken dat de mannetjes indringers wegjoegen uit eigen gebied, maar zelf op de vlucht sloegen zodra ze op andermans terrein werden aangevallen. In het grensgebied van twee territoria leidde dat tot schitterende pendelvluchten, waarbij de mannetjes elkaar afwisselend nazaten.

Hondenpoot

Ook in een beeldverhaal dat Karale voor Tinbergen vastlegde, komt zo'n kwade geest of tupilak voor. Deze tupilak is samengesteld uit een mensenschedel, een hondenpoot en, misschien niet helemaal toevallig, een meeuwenlichaam. Karale vertelde aan Tinbergen dat je tupilaks in de gaten moet houden. Je denkt hen te gaan gebruiken om anderen schade te berokkenen, of zelfs te doden, maar ze kunnen zich plotseling tegen jou richten. Dat is op de laatste van vier tekeningen te zien. Een jaloerse, oude vrouw die de tupilak in actie wilde brengen tegen een jong echtpaar, ligt dood op haar buik terwijl de angstaanjagende mensmeeuwhondepoot haar toegrijnst met agressief voorwaarts gericht vertoon. Je kunt alleen maar hopen dat dit inderdaad een eeuwenoud Inuitverhaal is en niet een wat omslachtige poging van Karale om aan het echtpaar Tinbergen duidelijk te maken dat ze wel erg lang bleven logeren.

Het valt Karale natuurlijk op geen enkele manier te verwijten, maar hij heeft leren tekenen volgens de kopiëermethode. Wie wat langer voor zijn tekeningen blijft staan, hoort in de verte de tafel van zeven opdreunen in een schooltje met de bijbel. Het als vanzelfsprekend maken van de symbolische tekeningen in de traditie van de Inuit, die zo bijzonder kunnen zijn, heeft hij vermoedelijk als een van de eersten uit zijn gemeenschap achter zich gelaten.

Hij zal het als een grote vooruitgang hebben gezien. Zeker is wel dat zijn tekeningen de voorboden zijn geweest van ingrijpende veranderingen.

Ook daarvan geeft de tentoonstelling een uitgebreid beeld. Geïnspireerd door Tinbergens verzameling hebben de conservatoren van het Museon, onder wie Gerti Nooter (1930-1998), de ontwikkelingen in kaart gebracht. De oude jagerscultuur verdween razendsnel, hoewel de meeste mensen nog altijd leven van de zeehondenjacht. Westerse verworvenheden zijn in Oost-Groenland definitief geworteld. Er wordt gewerkt aan een onderwijssysteem met behulp van internet, kajaks zijn vervangen door motorboten en barbiepoppen vervingen het zelfgemaakte kinderspeelgoed. Liefhebbers van beeldende kunst, die geen belangstelling hebben voor antropologie, moeten op deze tentoonstelling goed zoeken tussen de harpoenen, meeuwenvangers en traditionele leren zonnebrillen. Maar ik ben er haast zeker van dat Tinbergen zo'n educatieve tentoonstelling prachtig zou hebben gevonden. We zijn nu eenmaal niet alleen op aarde om te genieten, maar we zijn verplicht te proberen er ook iets van op te steken.

`Eskimoland - de kunst van het overleven'.T/m 9/1/2000 in Museon, Stadhouderskade 41, Den Haag.