Biochemicus van wereldfaam

In zijn woonplaats Alfaz del Pi in Spanje is afgelopen maandag de biochemicus dr. A.J.J. Ooms overleden. Ooms was jarenlang directeur van TNO's Prins Maurits Laboratorium in Rijswijk en heeft bijna vijfentwintig jaar lang een grote rol gespeeld in de Geneefse onderhandelingen over een verdrag tegen chemische wapens. De laatste acht jaar was hij als lid van de zogenoemde Unscom-commissie nauw betrokken bij de ontwapening van Irak. Ooms genoot internationaal groot aanzien.

Koos Ooms begon zijn studie biochemie in Leiden in 1942 maar moest daar al een jaar later mee ophouden. Hij wist naar het buitenland te ontkomen en kreeg na 1944 een rol als tolk bij het Amerikaanse leger. Terug in Nederland werd hij in 1948 in de gelegenheid gesteld zijn militaire dienstplicht als `Reserve Officier Academisch Gevormd' bij het Chemisch Laboratorium van TNO in Rijswijk te vervullen. Daar werd aan de verdediging tegen gifgassen gewerkt. Het TNO-werk viel te combineren met de studie biochemie die in 1961 uitmondde in een proefschrift over de werking van zenuwgassen en verwante organische fosforverbindingen. De beruchte zenuwgassen tabun, sarin en soman waren kort voor en tijdens de oorlog ontwikkeld door de Duitse chemicus Gerhard Schrader. In 1965 werd Ooms directeur van het Chemisch Laboratorium, toen onderdeel van de Rijks Verdedigings Organisatie-TNO die in de Vietnamjaren bij actiegroepen in ongunstig aanzien stond. Ooms getroostte zich veel moeite om uit te leggen waaruit het werk van zijn laboratorium bestond. Later, in 1978, werd hij de eerste directeur van het nieuwe Prins Maurits Laboratorium-TNO dat uit een fusie ontstond en onder zijn leiding uitgroeide tot een internationaal gezaghebbend instituut.

Eind jaren zestig culmineerde de aandacht voor chemische wapens toen duidelijk werd dat Egypte mosterdgas had ingezet in Jemen. VN-secretaris-generaal Oe Thant richtte in 1969 een onderzoekscommissie op voor bestudering van de problematiek die een plaats kreeg in de Geneefse ontwapeningsconferentie. Ooms werd door het ministerie van Buitenlandse Zaken aangetrokken als adviseur voor de technisch-wetenschappelijke aspecten. Hij heeft de onderhandelingen uiteindelijk de volle 24 jaar bijgewoond en verwierf, niet alleen door zijn technische expertise maar ook door zijn persoonlijke betrokkenheid en grote ervaring met dit soort uitputtende besprekingen, een groot internationaal respect. Op het laatst was hij een van de weinigen die de geschiedenis van de onderhandelingen nog helemaal paraat had.

Het gebruik van zenuwgas in de oorlog tussen Irak en Iran bracht de zogenoemde `Australië Groep' van Westerse landen er in 1985 toe een lijst van chemicaliën en technische hulpmiddelen op te stellen waarvoor voortaan exportbeperkingen zouden gelden. Ook hieraan heeft Ooms zijn bijdrage geleverd, de Nederlandse lijst van vergunningplichtige goederen heeft lang `de lijst Ooms' geheten.

In 1988 ging Ooms als TNO-directeur met pensioen, in 1991 werd hij gevraagd zitting te nemen in UNSCOM, de VN-commissie die toeziet op de ontwapening van Irak. Als UNSCOM-lid heeft hij zich in interviews regelmatig in zeer harde bewoordingen uitgelaten over het Iraakse regime dat hij `tuig van de richel' noemde.

Tegen de tijd dat de Conventie tegen chemische wapens, die er in 1993 ten slotte was gekomen, van kracht werd besloot Ooms wat meer afstand te nemen. Hij verhuisde naar Spanje, maar bleef actief in de Pugwash-beweging en hield nog regelmatig lezingen. Hij was adviseur van het Harvard Sussex Program, een groep van vooraanstaande internationale wetenschappers die de totale eliminatie van chemische en biologische wapens nastreeft. In mei openbaarde zich een ernstige ziekte. Ooms is 74 geworden.