Bezielde doeken van een afvallige

Sleeping heet een schilderij van Philip Guston (1913-1980) uit 1977. Het toont een mannetje met een reusachtig hoofd, opgekruld onder een rode deken. Hij ligt met de voeten naar ons toe, zijn grote schoenen met spijkerzolen steken onder de deken uit. Als een pyramide staat de liggende gestalte op het schilderij; Guston stoorde zich niet aan de regels van het perspectief.

Het rood is een dunne, schrale laag verf waar het zwart van de onderschildering doorheen schemert. Voor het gezicht mengde Guston daarentegen rood en wit op het doek door elkaar tot een modderige roze massa. Dikke vette zwarte verfstreken hoopte hij slordig opeen tegen de figuur aan. Sleeping is een punkschilderij, dat dwars tegen alle opvattingen over schilderkunst ingaat. Wie zó lelijk schildert weet precies wat hij wil.

Maar de kunstwereld maakt graag haar eigen verhaal over het oeuvre van een kunstenaar. De organisator van Gustons overzicht in het Kunstmuseum van Bonn, Christoph Schreier, memoreerde dat Guston grote belangstelling had voor de schilderkunst van de Italiaanse Renaissance. Dit zou te zien zijn in het werk Sleeping: is dit niet verwant aan De Dode Christus van Andrea Mantegna, waar Christus' lichaam precies zo met de voeten naar de beschouwer toeligt? Deze interpretatie is wel wat ver gezocht; Guston hield zich met anatomie al even min bezig als met perspectief. In Bonn wordt nergens vermeld dat Guston in de jaren zeventig beïnvloed was door de striptekenkunst en dat hij op zijn beurt striptekenaars, onder wie Robert Crumb, beïnvloedde. Het is alsof het werk van deze grote schilder nog steeds, bijna 20 jaar na zijn dood, bijgeschaafd moet worden en van een pedigree voorzien om bijgezet te kunnen worden in de kunstgeschiedenis.

Guston groeide op in Los Angeles waar hij op de middelbare school in de klas zat bij Jackson Pollock, met wie hij een jarenlange vriendschap sloot. Net als Pollock heeft hij veel last gehad van de oordelen over zijn werk. Guston was in de jaren vijftig met zijn lyrische abstracte schilderijen bekend geworden als vertegenwoordiger van de New York School. Toen hij tien jaar daarna overstapte van abstractie naar figuratie werd hij door de kunstwereld geëxcommuniceerd. De voorwerpen die plotseling in zijn werk verschenen – schoenen, spijkers, behaarde benen, hoofden zonder lichaam – maakten hem tot een afvallige. Zijn beste vrienden, zoals Robert Motherwell en de componist Morton Feldman, verbraken alle contact met hem, en de gezaghebbende criticus Clement Greenberg verwierp zijn nieuwe werk als zijnde `theoretisch onlogisch'. Guston verhuisde van New York naar Woodstock en trok zich terug in zijn atelier. Hij werkte daar tot aan zijn dood dag en nacht als een bezetene aan wat het belangrijkste deel van zijn oeuvre zou zijn.

In 1961, vertelde Guston ooit in een lezing, werd de drang naar beelden zo sterk dat hij een lange reeks donkere schilderijen maakte die hoofden en objecten moesten voorstellen. Een aantal van deze werken, prachtige sterke schilderijen, is in Bonn te zien: structuren in kloeke verfstreken opgebouwd van kleur, bijvoorbeeld rood en blauw, naar grijs en zwart aan de oppervlakte. En toen, na twee jaar waarin hij alleen maar tekende, volgde een onophoudelijke stroom van figuratieve beelden. Het was, zei Guston, alsof hij de doos van Pandora geopend had. Vooral 's nachts kwamen de voorwerpen uit hun doos, zodat hij de volgende dag nauwelijks het atelier in durfde om te zien wat daar die nacht gebeurd was. Guston schilderde snel, als in trance, zonder tussendoor afstand te nemen van het doek. Het mooiste was het, zei hij, wanneer idee en uitvoering direct samenvielen.

Het zijn wrange, eenzame en tegelijkertijd humoristische beelden. Guston schilderde in die laatste jaren wat hij om zich heen zag: zijn koffiebeker, zijn penselen, sigaret, werktafel, een klok. En een groot hoofd met één oog, zijn eigen oog, dat naar binnen gekeerd voor zich uitstaart. De sigaret en de penseel gaan een merkwaardige verbintenis aan bij Guston, ze zijn inwisselbaar, hij is aan beide evenzeer verslaafd, ze zijn zijn reddingsboei. Talking heet een doek uit 1979, waarop een arm is te zien met een horloge en een gebarende hand, twee sigaretten met rood kringelende rook tussen de vingers geklemd.

Wie Guston daarna ziet op een film, gemaakt vlak voor zijn dood, herkent ogenblikkelijk de druk gebarende arm van de schilder zelf. Maar op het schilderij praat hij in het niets, in het duister, de roze arm scherp geïsoleerd tegen de donkere achtergrond.

Gustons stripachtige beeldtaal is een ondeelbaar geheel met zijn manier van schilderen: sjabloonachtig – rood voor vlees, blauw voor de lucht, zwart voor de contouren – en tegelijkertijd zó bezield en direct en volkomen los van iedere conventie dat Gustons werk soms van een bijna ondragelijke intensiteit is. `Monumenten tegen oneindigheid', noemde criticus Dore Ashton deze schilderijen ooit. Twee voeten op een rood vloerkleedje (Feet on rug, 1978), vlezige stompen, gaan hun eigen weg. Ze marcheren voort, gedreven door een onzichtbare kracht, dezelfde kracht waardoor Guston gedreven werd, het leven zelf.

Philip Guston: schilderijen 1947-1979. Kunstmuseum Bonn, Friedrich-Ebert-Allee 2, Bonn. Tot 1 november. Geopend dizo 10-18u, wo tot 21u. Catalogus Duits/Engels, 145 blz., DM 40,-.