Bachelor/master gaat het maken

Niemand moest er een paar jaar geleden iets van hebben, maar nu is het bachelors/mastersmodel het gesprek van de dag op hogescholen en universiteiten.

De Universiteit Wageningen wil niet langer wachten. Volgend studiejaar worden daar alle opleidingen gesplitst in een driejarige bachelors- en een tweejarige mastersfase. ,,We afficheren ons als internationale universiteit'', zegt bestuurder L. Speelman. ,,Dan kun je niet meer aankomen met een propedeuse en een doctoraal. Dat snappen ze in het buitenland gewoon niet.''

Wageningen loopt hierin samen met de TU Eindhoven voorop. Maar niet voor lang: minister Hermans (Onderwijs) tekende in juni samen met collega's uit 28 landen in Bologna een verklaring dat het Europese hoger onderwijs in tien jaar zal zijn geënt op het Angelsaksische systeem. De opleidingen zullen dan bestaan uit een brede bachelorsfase van drie à vier jaar en een meer specialistische mastersfase van een à twee jaar.

Binnen hogescholen en universiteiten wordt heftig gediscussieerd over de twee-fasestructuur, zegt A. Peters, voorzitter van de vereniging voor bestuurders en managers in het hoger onderwijs (VUMB). ,,Het gaat niet om de vraag óf we de opleidingen in het hoger onderwijs splitsen in een bachelors- en een mastersfase, maar om de vraag wanneer en hoe we dat doen.'' Volgens Peters hebben zelfs verstokte tegenstanders van het Angelsaksische systeem het gevoel de tijdgeest niet meer te kunnen keren.

Dat was vijf jaar geleden wel anders. In het regeerakkoord van Paars I werd toen het Angelsaksische systeem voorgesteld voor het wetenschappelijk onderwijs, maar na grote weerstand van de universiteiten trok het kabinet dat plan weer snel in.

Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) adviseerde in 1995 deze tweefaseopleiding toch in te voeren, maar de universiteiten bleven fel tegen.

Niet zo gek, vindt H. Adriaansens, destijds lid van de WRR. ,,Het was de tijd van bezuinigingen op het hoger onderwijs, en de universiteiten waren bang dat ze uiteindelijk alleen voor de eerste fase van drie jaar bekostigd zouden worden. Het is wel jammer dat er niets gebeurde, omdat we nu in Nederland achterop zijn geraakt, vergeleken met landen als Duitsland en Frankrijk.''

Een voordeel van de nieuwe structuur is dat diploma's internationaal beter vergelijkbaar zijn. Bovendien kunnen studenten eenvoudiger overstappen naar een andere universiteit. Speelman: ,,Na een bachelorsdiploma kan een Nederlandse student in het buitenland een specialistisch mastersprogramma volgen, en vice versa.'' Ook kunnen studenten ervoor kiezen met het bachelorsdiploma op zak te gaan werken en eventueel later een master te halen.

Adriaansens vindt dat een voordeel, maar hij hoopt dat de discussie over de twee fasen zich niet versmalt tot de op Amerikaanse leest geschoeide titulatuur. ,,Het gaat natuurlijk om de inhoud van het onderwijs. Wij wilden een brede basisopleiding, zodat studenten zich niet meteen aan het begin van de studie hoeven te specialiseren.'' In Utrecht heeft hij inmiddels zelf een opleiding opgezet volgens het Angelsaksische model: het Utrecht University College. Daar volgen de studenten de brede driejarige opleiding die hij in het WRR-rapport bepleitte.

Het verzet tegen het Angelsaksische model mag dan zijn gebroken, over de uitvoering bestaat nog grote onenigheid. De gemoederen raken vooral verhit als het typisch Nederlandse onderscheid tussen hogescholen en universiteiten ter discussie wordt gesteld.

Een student die afstudeert aan een hogeschool mag zich tooien met een bachelorstitel - tot zover heerst er consensus. Maar hoe onderscheiden we die dan een universitaire bachelor? Als een hogeschool een mastersopleiding aanbiedt, hoe verhoudt die zich dan tot de universitaire master? En mag een student met een hbo-bachelor verder studeren in een mastersprogramma aan de universiteit?

Voorzitter F. Leijnse van de HBO-raad ziet bij de introductie van het Angelsaksische systeem het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten verdwijnen - zeker nu Hermans het fusieverbod heeft opgeheven. De verschillen waren in de loop van de jaren toch al steeds kleiner geworden, vindt Leijnse. Hij ziet één stelsel voor hoger onderwijs voor zich waarbinnen alle instellingen bachelors- en mastersopleidingen moeten kunnen aanbieden. Een accrediteringsinstituut zou de opleidingen op grond van internationale maatstaven moeten beoordelen op kwaliteit en inhoud.

Peters, behalve voorzitter van de VUBM ook bestuurder van de Hogeschool Enschede, valt hem bij. ,,We moeten nu aansluiting zoeken bij de andere Europese landen die ook geen onderscheid maken en niet gaan fröbelen op de vierkante centimeter.''

R. Meijerink, voorzitter van de VSNU, de vereniging van Nederlandse universiteiten, heeft geen bezwaar tegen een fusie, maar zou niet graag zien dat álle universiteiten en hogescholen opgaan in één stelsel, zoals Leijnse bepleit. ,,Dan krijg je een eenheidsworst, terwijl de maatschappij behoefte heeft aan mensen met verschillende opleidingen.'' Meijerink wil best praten over de invoering van een tweefasestructuur, mits er een duidelijk onderscheid blijft tussen een beroepsgerichte en een wetenschappelijke bachelors- en mastersdegree.

Bestuursvoorzitter H. Dijkstra van de Christelijke Hogeschool Windesheim in Zwolle kan zich daarbij aansluiten en werpt de kritiek ver van zich dat hogescholen uit zijn op statusverhoging : ,,Ik heb helemaal geen behoefte om universiteitje te spelen. Ik verzorg hoger beroepsonderwijs en kan me voorstellen dat we in de toekomst beroepsgerichte bachelors gaan bieden. Ik zou me niet eens kunnen permitteren om voor alle 45 opleidingen die wij bieden een mastersprogramma te ontwikkelen.''