Wonderen der laatste dagen

Laten we het nog eens hebben over Indisch eten in Nederland. Nog altijd heersen er wonderlijke toestanden. Zeker in de grote steden zijn alle denkbare ingrediënten nu zonder moeite verkrijgbaar, maar in veel Indische restaurants wordt nog steeds een soort mengproduct opgediend waarvan de Hollandse horecawalm je al van verre tegemoetslaat.

Ter gelegenheid van een ceremoniële ontmoeting, kortgeleden, met een Indonesische schrijver was er voor ons een diner georganiseerd in een van de bekendste Indische restaurants van Den Haag. Het eten varieerde van matig tot erbarmelijk. Hoe is het mogelijk dat een restaurant van die reputatie (en die prijs) het durft om de mensen groentegerechten voor te zetten met slappe sperziebonen uit blik in plaats van verse katjang pandjang (kouseband), en zonder kangkoeng, tegenwoordig overal verkrijgbaar?

Het antwoord is dat de Nederlandse bezoekers het zonder morren accepteren. Al die schaaltjes – zo veel! zo veel! wat enig! Hoe meer hoe mooier, ze werken het naar binnen en de smaak beantwoordt blijkbaar aan hun verwachtingen, het oogst nog applaus ook. Waarom zou het restaurant geld en moeite over hebben voor authentieke ingrediënten? Waarom zou de kok zijn best doen?

Maar wonderen bestaan. Een poosje geleden liepen we door de Javastraat in Den Haag en kwamen langs een Indisch restaurant geheten `The Raffles'. Nu roepen verwijzingen naar Singapore en Malakka op culinair terrein toch al positieve reacties bij mij op: dat is waar je heen moet als je op zoek bent naar de echte Indische keuken, het is in die al eerder kwijtgeraakte delen van ons voormalige koloniale rijk waar er zoiets als een werkelijke eetcultuur bestaat. Alleen al daarom trok dat restaurant mijn aandacht. Ik keek er naar binnen; het zag er serieus en sober uit, en op de menukaart stond een beperkt aantal gerechten; dat is ook altijd een gunstig teken, qui veut tout embrasser mal étreint, in de beperking toont zich de meester.

We gingen naar binnen en mijn verwachtingen werden overtroffen: het was de beste Indische maaltijd die ik in jaren in Nederland heb gegeten. Het wonder bleek voor herhaling vatbaar.

En nu, twee dagen geleden, weer zo'n mirakel. Er is, volgens mij, niets lekkerders op de wereld dan het gekoelde sap, dik en romig, van verse mangga's.

Ik heb het wel eens gehad over het merkwaardige feit dat je dat in Indonesië, in tegenstelling tot Maleisië, bijna nergens kunt krijgen; ik weet dat aan een gebrek aan initiatief. Het is ze teveel moeite, ze verkopen liever limonade. Zelfs manggasap uit blik is vaak moeilijk te krijgen, en van nogal matige kwaliteit, net als hier in Europa.

Maar zie, wat ik zelfs in Indonesië niet kon vinden ontdekte ik hier in de supermarkt om de hoek: Geperst mangosap 'Verspers'. Volgens het etiket `100 % vers geperst mangosap, zonder enige toevoeging. 100% Vers Sap Garantie. Ingredienten mango's. Verspers sappenlijn van Fruity King Vers Sap B.V. Rotterdam.'

Meteen gekocht natuurlijk; het is niet goedkoop, maar waarachtig, het komt in de buurt. De techniek is om het in kleine teugjes te drinken, en telkens te wachten op de nasmaak, want die is het lekkerst.

Overigens heb ik altijd wel wat aan te merken, en dat is in dit geval de naam. Dat is het enige wat niet deugt: deze paradijsvrucht heet niet mango maar mangga. Dat is al 400 jaar lang de Nederlandse naam. Pas toen na de ondergang van ons imperium de import op gang kwam zijn onwetende mafketels die Engelse naam gaan gebruiken. Het klinkt stompzinnig, net als tandpasto, pando, magmo, verando en Fruity King.