Rekwisieten van de binnenstad

De steden staan er vol mee, met die metalen paaltjes langs de stoepranden en op iedere plek waar een auto zou kunnen staan. In Amsterdam worden ze `Amsterdammertjes' genoemd en zijn ze gesierd met het trotse stadswapen. Dat kan niet verhinderen dat deze obstakels ideale aanhechtingspunten vormen voor straatvuil en onkruid. Een klein voordeel is mogelijkerwijs dat Amsterdamse honden wellicht liever tegen die Amsterdammertjes pissen dan tegen de gevels. In Amsterdam staan er circa 70.000, waarvan de helft langs de grachten. Al in 1980 werd deemoedig erkend dat al die paaltjes ,,een triest beeld'' opleveren, aldus het Nieuw Standaard Grachten Profiel.

Om enige openbare ruimte terug te veroveren op de her en der parkerende automobilisten, verschenen de paaltjes in de jaren zeventig en tachtig bij tienduizenden, bij honderdduizenden in het hele land.

In het begin ging het nog wel: het had een zekere grafische werking, zo'n rij paaltjes, fris geverfd, keurig in het gelid, en ze beantwoordden aan hun doel. Maar in de loop der jaren raken ze verveloos, worden ze aangereden en staan ze jarenlang schots en scheef, en is de gemeentereiniging niet bij machte stoepen en pleinen nog toonbaar te houden. In Amsterdam is de laatste jaren een voorzichtig begin gemaakt met het `paalluw' maken van de stad. Dat is nog een lange en kostbare weg.

In Leiden heten de paaltjes `Waalpalen' naar drs. Cees Waal, van 1974 tot 1984 wethouder stadsvernieuwing en stedelijke vormggeving.

Wat vindt hij ervan dat die paaltjes zijn naam dragen? Hij heeft er ,,een wat dubbel gevoel'' over. ,Kijk, die paaltjes zijn er niet gekomen omdat ze zo mooi zijn, maar ze zijn wel effectief.'' Anderzijds heeft Waal ook gemerkt dat toenmalige collega-wethouders ,,wat afgunstig'' waren. ,,Het heeft toch attentiewaarde.''

Op het Stadbouwhuis weten de heren Dingjan en Ligtenberg niet hoeveel van die paaltjes er in Leiden eigenlijk staan. Na wat hardop schatten komen ze op: ,,zeker enkele tienduizenden, hou het maar op globaal 20 à 30.000''. Dingjan is project-coördinator van `Binnenste Beter', een programma om de binnenstad op te knappen. Ligtenberg is stedenbouwkundig ontwerper. Binnenste Beter, dat begon in 1995 en nog loopt tot 2004, is wegens de kosten (20 miljoen gulden) beperkt tot delen van de historische binnenstad.

Net als in Amsterdam zijn er in Leiden inmiddels fraaie resultaten geboekt met het rooien van het palenwoud. Tegelijk verdwijnen er parkeerplaatsen. Zo zijn er weer stukjes waar je gewoon langs de Rijn kunt wandelen, zoals op de Apothekersdijk. Dingjan: ,,Je ziet ook weer voetgangers midden op de weg lopen.'' Het verlies aan parkeerruimte voor de deur is een moeilijk punt in de discussie met de burgerij, maar dat wordt zoveel mogelijk opgevangen met het bouwen van parkeergarages. Dingjan ziet ook dat de mensen weer waardering krijgen voor de schoonheid van hun stad. Er komen planten in potten op de stoep te staan en er worden kleine tuintjes aangelegd. Slaat dat niet door naar de andere kant? Zonder haperen heeft hij zijn antwoord klaar. ,,Het moet natuurlijk niet te dol worden, maar daarvoor hebben we hier het geveltuintjesgedoogbeleid''.