Prodi en parlement

IN DE SLAG MET HET Europese Parlement over de nieuwe Commissie heeft Commissievoorzitter Prodi op punten gewonnen. Tegenover twee eisen van de volksvertegenwoordigers heeft hij zijn rug recht gehouden. Hij weigerde te aanvaarden dat het parlement de bevoegdheid krijgt om een van de commissarissen naar huis te sturen. (Nu kan dat alleen met de gehele Commissie). Bovendien dreigde hij zelf op te stappen als het parlement van zins bleef de Commissie slechts een mandaat te verlenen voor de periode die de dit voorjaar afgetreden Commissie-Santer regulier had moeten volmaken – tot eind van het jaar dus. Op beide punten hebben de volksvertegenwoordigers toegegeven, in ruil voor een getuigenis van goede wil van de kant van Prodi.

Betekent dit nu dat het examen dat de nieuwe Commissie de afgelopen weken is afgenomen, een farce is geweest? Geenszins. Zowel de herbenoemde als de nieuwbenoemde commissarissen alsmede de aan hen ondergeschikte ambtenaren is duidelijk gemaakt dat een eind is gekomen aan het tolereren van nepotisme, corruptie en incompetentie, verschijnselen die de reputatie van vorige Commissies, soms met terugwerkende kracht, hebben aangetast. Prodi en zijn bemanning hebben beloofd alert te zijn om herhaling te voorkomen. De commissarissen hebben aanvaard te zullen opstappen als de voorzitter daar op goede gronden om vraagt.

Of met dit alles de machtsbalans binnen Unie en Gemeenschap in beweging is gekomen, moet worden afgewacht. Politiek is er weinig veranderd, zoals ook bleek tijdens de ondervragingen van nieuwe commissarissen. De grote partijen, socialisten en conservatieven, hielden elkaar in evenwicht. Er was hier en daar krachtige kritiek, maar die werd weggestreept tegen bezwaren van de andere zijde. De Commissie, samengesteld als zij is uit Europa's politieke hoofdstromen, vindt in de volksvertegenwoordiging eerder een afspiegeling dan een controlerende en initiërende tegenkracht.

TEN ONRECHTE afficheert Prodi zijn club als een regering. In de normale politieke verhoudingen zoekt een regering een politieke meerderheid in het parlement. De commissarissen zijn daarentegen benoemd door de regeringen van de lidstaten. En bij die regeringen – in de praktijk bij de staats- en regeringsleiders die samen de Europese Raad vormen – ligt in Unie en Gemeenschap de feitelijke macht. Slechts in de Gemeenschap – het communautaire deel van de Unie – beschikken Commissie en parlement over werkelijke bevoegdheden, die echter worden begrensd door de bevoegdheden van de Raad.

De Unie staat voor nieuwe uitdagingen. Haar instituties moeten, met het oog op de uitbreiding met nieuwe lidstaten, worden gestroomlijnd. Haar budget moet om dezelfde reden worden bijgesteld. Bovendien is de ontwikkeling naar een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid als gevolg van Kosovo in een stroomversnelling geraakt. Als de Commissie en het parlement op al deze zaken invloed willen uitoefenen – en dat willen zij - zullen zij verregaande saamhorigheid moeten zien te bereiken. Want alleen gezamenlijk zullen zij iets kunnen veroveren van de macht die nu bij de lidstaten ligt. Zij zijn aan het oorspronkelijk communautaire karakter van de Europese integratie zelfs verplicht daartoe een serieuze poging te doen.