Locaties sluiten is geen oplossing

Steeds minder studenten kiezen voor een bètastudie. Ten onrechte wordt echter geopperd het aantal opleidingslocaties te sluiten, vindt Rien Meijerink. Het is verstandiger de opzet van de bètastudies te vernieuwen.

De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) heeft een rapport uitgebracht over de `harde' bètawetenschappen wiskunde, natuurkunde en scheikunde. De voornaamste aanbeveling van de AWT aan minister Hermans van Onderwijs is om het aantal opleidingslocaties terug te brengen van zes naar drie. De universiteiten lieten weten de aandacht van de AWT voor dit vraagstuk te waarderen, maar deze aanbeveling niet te onderschrijven.

De instroom bij wiskunde, natuurkunde en scheikunde is gedaald, waardoor er nu drie studenten op één docent zijn. De daling van de instroom heeft zich overigens niet alleen aan de algemene, maar ook aan de technische universiteiten voorgedaan. Een nadere analyse leert dat dit niet het enige probleem is. De doorstroom van studenten stokt namelijk ook. Zo blijkt slechts 2 procent van de studenten de vierjarige opleiding daadwerkelijk in vier jaar te volbrengen, terwijl gemiddeld genomen harder wordt gewerkt dan bij andere opleidingen. Aan de uitstroomkant is niet alleen sprake van een sterk groeiende vraag naar wiskundigen, fysici en chemici, zij komen ook steeds minder in de traditionele beroepen, onderzoek en onderwijs, terecht. Velen vinden tegenwoordig een baan in de financiële dienstverlening of de IT. Daar worden andere eisen aan hen gesteld. Ook dit moet gevolgen hebben voor de opleiding.

Voor het oplossen van de vraagstukken is het sluiten van locaties niet de aangewezen weg, want daarmee richt je je alleen op de instroom. Het is trouwens de vraag of dit werkt. Universiteiten hebben in hoge mate te maken met een regionale studentenpopulatie. Mocht de opleiding van de eerste voorkeur dus niet bij de universiteit in de buurt `voorhanden' zijn dan zal een student snel kiezen voor een andere opleiding aan diezelfde universiteit. Gevreesd moet worden dat de sluiting een averechts effect zal hebben: een nog lagere instroom.

De vernieuwingsplannen van de universiteiten richten zich zowel op de instroom, doorstroom als uitstroom. Aan de instroomkant gaat het er vooral om dat er meer aanstaande studenten komen. Luxe brochures en mooie advertenties helpen daarbij niet veel. Daarom richten de plannen zich vooral op het VWO. In de eerste plaats hebben de veranderingen in het kader van de nieuwe profielen vermoedelijk positieve gevolgen voor het aantal potentiële studenten. De profielen zijn breder en de leerlingen volgen meer vakken. Het VWO bereidt meer dan tot nog toe het geval was voor op de universiteit. Alle VWO-profielen hebben het vak natuurwetenschappen en daardoor komen de leerlingen met wis- , natuur- en scheikunde in aanraking. Vanuit de universiteiten wordt vooral de samenwerking tussen docenten in het wetenschappelijk onderwijs en het VWO gestimuleerd in zogeheten vaknetwerken. Daarnaast kan ook het nodige in facilitaire zin gebeuren, zoals het aanbieden van practicumfaciliteiten aan VWO-leerlingen.

De doorstroom- en uitstroomproblemen worden als volgt aangepakt. In de laatste twee jaar van de vijfjarige opleiding kunnen de studenten uit drie afstudeervarianten kiezen. De M-variant richt zich op mens en maatschappij, hierin worden vakken als organisatiekunde en bestuurskunde aangeboden. De communicatie/educatie-variant is bedoeld voor studenten die leraar willen worden, of die de voorlichting/journalistiek in willen. Daartoe worden modulen over didactiek, schrijven in de wetenschap of journalistiek in het programma opgenomen. Verder kennen alle opleidingen een verplichte externe stage. De derde variant leidt rechtstreeks op voor promotie en deze gaat veel dieper op het hoofdvak in. Deze promotievariant blijft van wezenlijk belang. De verdere ontwikkeling van de wetenschap op deze en andere terreinen is er grotendeels van afhankelijk. De vernieuwingsoperatie is in samenspraak met het `afnemend veld', VNO-NCW en de FME, opgezet. De onderwijsinspectie bewaakt de voortgang aan de hand van jaarlijkse rapportages. De universiteiten verwachten dat deze integrale en doordachte aanpak soelaas zal bieden.

De vernieuwing is nodig, maar het behoud van de goede onderwijskwaliteit is ook noodzakelijk. Daarom kan de vernieuwing alleen slagen als de cursusduur verlengd wordt. Hiertoe is onlangs besloten. Het valt niet te verwachten dat de vijfjarige cursusduur studenten zal afschrikken. Doordat minister Hermans studenten nu maximaal tien jaar de tijd geeft om hun studie te voltooien zonder dat zij hun recht op studiefinanciering verliezen, is een andere belemmering om een bètavak te kiezen – de vrees om in zo'n opleiding niet tijdig het diploma te halen – nu ook verdwenen. Voor toekomstige bètastudenten komt daar een belangrijk voordeel bij: ze krijgen geen vier, maar vijf jaar studiefinanciering. Zo'n voordeel zal de calculerende student zeker niet ontgaan.

Rien Meijerink is voorzitter van de vereniging van universiteiten VSNU.

    • Rien Meijerink