Grote scholen

Een paar maanden geleden verscheen in de Figaro een artikel met de pakkende, zij het voor buitenstaanders enigszins raadselachtige titel: `La rue d'Ulm assassinée'. Het raadselachtige zit hem in het feit dat men zich bij een vermoorde straat niet veel kan voorstellen. Ingewijden weten echter dat de rue d'Ulm niet alleen een straat is, maar ook een begrip, zoals men wel `de Quai d'Orsay' schrijft als men het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken bedoelt. Rue d'Ulm verwijst in dit verband dan ook niet naar de straat, maar naar de Ecole Nationale Supérieure, die in die straat is gevestigd.

Het stuk in de Figaro begon met een uitspraak die even krachtig was als de kop: ,,Iedereen weet dat er nog maar één ding in het Franse hoger onderwijs echt goed functioneert en dat zijn de grandes écoles.'' De Ecole Normale Supérieure, kortweg Normale Sup genoemd, is zo'n `grande école' en wel een die, volgens de schrijver, door de Franse minister van Onderwijs, Claude Allègre, met de dood wordt bedreigd. Allègre heeft namelijk een plan ontwikkeld om de toelating tot Normale Sup te veranderen door, naast de twee bestaande concours, een derde toegangsmogelijkheid te creëren in de vorm van een door de kandidaat in te dienen dossier. Einde van het concours, einde van de anonimiteit van de kandidaten, einde van Normale Sup, einde van de `égalité républicaine', kortom, einde van de Franse beschaving. Aldus de auteur.

Ook voor wie niet intiem bekend is met de geheimzinnigheden van het Franse hoger onderwijs, is duidelijk dat de grandes écoles buitengewoon belangrijke instellingen zijn en dat het anonieme en selectieve toelatingsexamen, het concours, een essentieel onderdeel van het systeem is. De `grote scholen' nemen in het Franse hoger onderwijs dan ook een zeer speciale plaats in. De ideologische basis van dit stelsel, de al genoemde `égalité républicaine', is nauw verbonden met de idealen van de Franse Revolutie. Normale Sup is in de revolutiejaren opgericht, aanvankelijk alleen met het doel leraren voor het middelbaar onderwijs op te leiden. In de loop der jaren is de school echter sterk van karakter veranderd. Sinds het begin van deze eeuw is het de instelling waar de toekomstige Franse intellectuele elite, na een zware vooropleiding en scherpe selectie, een aantal jaren verblijft ter voorbereiding op een carrière in onderwijs en wetenschap maar vaker nog in journalistiek, literatuur en politiek. Onder de oud-leerlingen vinden wij niet alleen Sartre en Raymond Aron, maar ook de Franse president Pompidou en de Senegalese president Senghor. In feite is de Ecole Normale geen echte school meer, sinds in 1903 de eigen opleiding en examens zijn afgeschaft. De leerlingen studeren aan de universiteit en bereiden zich voor op staatsexamens, maar zij krijgen wel een beurs en beschikken over tal van faciliteiten en begeleiding door eigen docenten. Het belangrijkste punt is echter de selectie. Het toelatingsexamen, na een langdurige vooropleiding aan de zogenaamde `classes préparatoires' – onder insiders bekend onder de geheimzinnige naam `khâgne' – van een van de grote Parijse lycea, zoals Henri-IV en Louis-le-Grand, is zo zwaar dat toelating tot Normale Sup een uitverkiezing voor het leven is.

De Ecole Normale Supérieure is dus een grande école, maar daar zijn er meer van en het begrip dekt in feite een zeer groot en heterogeen stelsel van opleidingen, die alle slechts één ding gemeen hebben, namelijk dat ze geen universiteiten zijn. Verder vormen de `grote scholen' een wereld van verscheidenheid. Zo zijn er grandes écoles, als de Ecole Normale Supérieure en de Ecole Polytechnique, die zeer prestigieus zijn wegens hun scherpe selectie, maar die direct aansluiten op de middelbare school en slechts een korte opleiding bieden (Polytechnique duurt maar twee jaar). Terwijl er ook andere zijn, zoals de Ecole des Mines en de Ecole Nationale d'Administration (ENA), die in feite post-graduate-opleidingen zijn.

De belangrijkste grandes écoles zijn staatsopleidingen, die dicht tegen de overheidsdiensten aanleunen. De Ecole des Ponts et Chaussées bijvoorbeeld is nauw verbonden met het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Deze instellingen zijn een uiting van het bekende Franse centralisme. Veel van deze scholen zijn ontstaan ten tijde van de Revolutie en Napoleon, maar niet allemaal. De ENA bijvoorbeeld is van veel later datum (1945) en andere gaan weer veel verder in de tijd terug (de Ecole des Mines en de Ecole des Ponts et Chaussées zijn al van vóór de Revolutie). Naast deze staatsopleidingen zijn later ook uit particulier initiatief grandes écoles ontstaan, waaronder enkele zeer vooraanstaande handelsscholen die tegenwoordig, met de ook in Frankrijk sterk gegroeide belangstelling voor bedrijfskunde en business schools, zeer gezochte instellingen zijn. Deze grandes écoles zijn dus geen staatsscholen. Dat ze toch grandes écoles worden genoemd komt, doordat zij net als de staatsscholen een concours hebben, een vergelijkend examen.

Eigenlijk kun je een concours niet echt een examen noemen, want een examen veronderstelt een vaste norm. Wie die norm haalt, is geslaagd; wie hem niet haalt, is gezakt. Dat is bij een concours niet het geval. Daar gaat het om de toelating tot een beperkt aantal plaatsen. De besten worden toegelaten, de overigen niet. Het eindexamen verloopt op dezelfde manier. De examinandi worden genummerd in volgorde van hun resultaten en de hoogst geplaatsten krijgen de beste aanbiedingen. Het concours is het symbool van de gelijkheid, althans de gelijkberechtiging van alle Fransen. Iedereen kan er immers aan deelnemen en men wordt uitsluitend beoordeeld op grond van zijn prestaties en niet van relaties of afkomst. Het is de triomf van de republikeinse ideologie en van de `carrière ouverte aux talents'.

In theorie zit hier veel waars in en de invoering van examens voor publieke functies was in de negentiende eeuw, waarin overheidsbaantjes vaak werden verdeeld onder vrienden en familie, zeker een grote stap vooruit. De praktijk is echter ingewikkelder, omdat succes bij het concours voor een groot deel bepaald wordt door de vooropleiding, terwijl de kans op een goede vooropleiding weer afhangt van de mogelijkheid om op de goede scholen te komen en die kans op zijn beurt weer sterk afhangt van het milieu waaruit men voortkomt. Verschillende critici hebben het stelsel op deze gronden scherp bekritiseerd en betoogd dat de grandes écoles in feite klasseverschillen legitimeren als kwaliteitsverschillen. Dat is dan ook precies wat de oprichter en eerste directeur van de Ecole des Sciences Politiques, aanvankelijk een Ecole libre en dus geen staatsschool, bij de oprichting van die school, na de verloren oorlog van 1870 tegen Duitsland, voor ogen stond. Hij besefte dat de hogere klassen in een tijd van toenemende democratisering hun machtsposities niet meer zouden kunnen baseren op privileges, maar uitsluitend op bekwaamheid.