Dromen boven doden

Met de aandacht voor oude begraafplaatsen is het droevig gesteld. Ze leiden een bestaan in de marge van het nationale cultuurbezit en komen alleen in het nieuws als vandalen er hebben huisgehouden. Onterecht, want kerkhoven zijn zowel cultureel als botanisch van grote waarde. Op Open Monumentendag, 11 september, staan ze even centraal.

Bij belsignaal brug vrijmaken' staat er op een bord bij de brug over het Reitdiep waarover je het Groningse dorp Garnwerd binnenrijdt. Vaak zal dat belsignaal niet klinken, want op het water is geen schip te zien en het brugwachtershuisje is verlaten. Wie hier het Reitdiep over gaat, belandt in een andere tijd. Doodstil is het in Garnwerd, zo stil als het veertig jaar geleden was, toen je naar school liep. Onwillekeurig schieten de woorden van het leesplankje je te binnen: aap, noot, mies, wim, zus, jet, teun, vuur, gijs, lam, kees, bok, wei-de, does, hok, duif, scha-pen.

Er is geen verkeer in het smalle straatje dat omhoog leidt naar de 13de-eeuwse kerk. Het kerkhof is omgeven door een ijzeren hek. Madeliefjes groeien tussen de grafstenen. Een monumentale es staat hoog boven de zerken. Door het lange gras golft iets bruins: een wezeltje. Straks verschijnt Koos van Zomeren nog om de hoek van de zadeldaktoren. Met zijn hond Rekel.

Het kerkhofje van Garnwerd maakt deel uit van een zestig kilometer lange kerkhofjesroute die in 1990 door de VVV van het Groningse Marengebied ter gelegenheid van Open Monumentendag is uitgezet. De tocht begint in Winsum en leidt door een onbedorven landschap dat zich laat lezen als een archief; hooggelegen stroomruggen worden afgewisseld door diepe slenken; dorpen en monumentale boerderijen liggen op wierden - vluchtheuvels uit de tijd dat dit deel van de provincie Groningen nog niet was ingedijkt en van tijd tot tijd onder het zeewater verdween.

Uit opgravingen is gebleken dat al ver voor onze jaartelling lijken in deze wierden werden begraven. De wierde van Ezinge heeft grote bekendheid gekregen door de opgravingen van prof. A.E. van Giffen, in de jaren dertig. Op dat deel van de wierde dat de hooggeleerde ongemoeid heeft gelaten ligt een klein kerkhof, achter een monumentaal 19de-eeuws hek. Ook hier staan indrukwekkende essen - bomen die trouwens in de hele omgeving een ongekende omvang lijken te bereiken - en in een hoek van het kerkhof, die voor schapen is afgezet, staat een boom die ik tot mijn grote ergernis niet kan determineren. Het lijkt een els, maar ook weer niet, een haagbeuk misschien, of een vuilboom? Aan een boer die bezig is om het schapenraster te repareren vraag ik of hij misschien weet hoe die boom heet. ,,'k Weet nait', luidt het antwoord, ,,maar als ik jou was zou ik er geen schaap onder laten grazen, want er vallen gedurig takken uit.' Veel mensen zal ik verder niet ontmoeten op mijn tocht, wel kippen, schapen en, op de Joodse begraafplaats in Winsum, een slapend steenuiltje in de takken van een elzenhaag. Hier heerst al vijftig jaar de rust van het graf, want sinds de oorlog valt er niemand meer te begraven.

De VVV van het Marengebied, die de tocht langs oude kerkhoven heeft uitgezet, verdient een groot compliment, want in de rest van het land is het met de aandacht voor oude begraafplaatsen vaak droevig gesteld. Ze leiden een verwaarloosd bestaan in de marge van ons cultuurbezit en komen alleen in het nieuws als baldadige jongeren weer eens grafzerken hebben beklad. En het moderne kerkhof is - als je daar geen dierbaren hebt liggen - ook al geen bezoek waard; kaarsrechte paden en gemaaide grasstroken verdelen de dodenakker in identieke rechthoeken en zonder op een bordje te kijken weet je niet of je je in blok A, dan wel blok F bevindt. Begraafplaatsen - vroeger het middelpunt van stad en dorp - worden aan de uiterste rand van de bebouwde kom aangelegd, alsof de pest is weergekeerd, en door hoge hagen aan het oog van de levenden onttrokken.

Het verhullen van het kerkhof is symbolisch voor het verstoppen van de dood. In onze geïndividualiseerde, laat 20ste-eeuwse maatschappij is de dood verworden tot een betreurenswaardig incident dat zo snel mogelijk vergeten moet worden. De dood is bijna onzichtbaar. Buurtbewoners voelen zich niet meer betrokken bij een sterfgeval in de straat. Dat kan ook moeilijk, want thuis sterven is uit de mode. Doodgaan wordt gezien als overlast; je doet dat niet thuis tijdens Ajax-Heerenveen, maar in een verzorgings- of ziekenhuis. Rituelen rond het sterven zijn folklore geworden en vooral de crematie is - meer nog dan de teraardebestelling - ontaard in een farce. De aula van een crematorium is licht en proper, afgetimmerd met Fins berkenhout. De treurenden nemen plaats; een gedicht van Ida Gerhardt wordt voorgedragen, een kort dankwoord wordt gesproken en onder het afspelen van een bandje met populair-klassieke muziek verdwijnt de kist - in beweging gezet door een afstandsbediening - achter een paar zwartfluwelen gordijnen. Een kleffe krentenbol in de koffiekamer en dan naar huis. De as wordt verstrooid en dan is er niets. Geen plaats om sneeuwklokjes en klimop te planten, geen steen die langzaam met mos overgroeid raakt.

Maar misschien is het tij aan het keren: een teken dat daarop zou kunnen wijzen is de toenemende populariteit van het columbarium - geen duiventil, maar een soort wijnrek waarin de urnen met as kunnen worden gestald. Niet elegant, maar beter dan niets. Een tweede teken aan de wand is het spektakel waarmee recentelijk leden van de Amsterdamse incrowd per schip naar hun laatste rustplaats zijn vervoerd.

Een vaartocht naar een begraafplaats is niet nieuw, noch uniek; op een ets van Romeyn de Hooghe, in bezit van het Rijksmuseum in Amsterdam, is te zien hoe in de 17de eeuw een trekschuit afmeert bij de Portugees-Israëlitische Begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel. Deze sefardische begraafplaats, de mooiste van ons land, is nog steeds in gebruik en behoort niet alleen tot het joodse, maar tot het nationale erfgoed. Hier ligt het echtpaar begraven dat waarschijnlijk model stond voor Rembrandts schilderij Het Joodse Bruidje. Tussen de prachtig gebeeldhouwde 17de-eeuwse zerken van diplomaten en kooplieden zijn de graven te vinden van dr. Joseph Bueno, die aan het sterfbed van Maurits werd geroepen, en van dr. Elie Montalto, de lijfarts van Maria de Medici. Hier is het graf van de ouders van Spinoza. Ik wil me er niet mee bemoeien, maar als er nog geld over is na de aankoop van die Mondriaan, dan zou dat misschien kunnen gaan naar het David Henriques de Castrofonds, opgericht ter restauratie en instandhouding van deze begraafplaats, Beth Haim - Huis des Levens, die al in 1653 door Jacob van Ruisdael werd geschilderd.

Begraafplaatsen zijn niet alleen van cultuurhistorisch belang, ook vanuit botanisch oogpunt zijn ze interessant. Al in vroeg-christelijke tijden werden op kerkhoven bomen geplant. Vaak was dat de taxus - groenblijvend en daarom ook in heidense tijden al een symbool voor eeuwig leven. Behalve symbolische had de taxus ook practische waarde; van het hout werden pijlen gesneden en bogen gemaakt en de giftige naalden werden soms door progressieve geestelijken voor het opwekken van abortus gebruikt. Tegenwoordig wordt uit taxusnaalden taxol gemaakt, een geneesmiddel tegen kanker. Naast de taxus is de thuja, de levensboom, een veel geplante boom op begraafplaatsen en ook vind je er een staalkaart van treurbomen: treurbeuken, treurwilgen, treurberken en treuressen vormen de hoofdmoot, maar ook treurvormen van esdoorn, eik, meidoorn en populier komen voor.

De Gemeentelijke Begraafplaats Moscowa, in Arnhem, meet 26 hectare en is een mengeling van een arboretum en een kerkhof. Vooral in het gedeelte `onbepaalde tijd' staan monumentale bomen die door nabestaanden als klein boompje zijn geplant en die het graf in de loop der jaren volkomen hebben ontwricht. Zeldzame korstmossen, in de weinig funeraire kleuren geel en oranje, hebben oude grafschriften onleesbaar gemaakt. Het is goed mijmeren hier, terwijl de grasklokjes nog nabloeien, de spechten roffelen en de konijnen paren in de bosjes. Leven en dood liggen dicht bij elkaar, op Moscowa. Hier ligt Dirk Troelstra, de jongere broer van Pieter Jelles. En in het columbarium rust de as van Wim Kan.

Geschiedenis wordt bijna tastbaar, op een begraafplaats, en ook de geschiedenis van de tuinarchitectuur wordt er weerspiegeld. Zocher, Roodbaard, Springer, Poortman en Copijn, de beroemdste Nederlandse tuinarchitecten uit het verleden hebben allen begraafplaatsen ontworpen, waardoor de heersende tuinmode goed is te volgen. Op de Gemeentelijke Begraafplaats in Haarlem maak je in een half uur kennis met bijna twee eeuwen tuinarchitectuur. Vanaf 1828 is deze begraafplaats aangelegd; het eerste ontwerp was van J.D. Zocher jr., in landschapsstijl met waterpartijen en een eiland waarop de Joodse begraafplaats ligt. In 1878 volgde een uitbreiding, geheel in Engelse landschapsstijl, met kronkelende paden en glooiende taluds. In 1912 werd opnieuw uitgebreid, ditmaal naar een plan van Springer dat terugreep naar de geometrische patronen van de Barok: vierkanten, cirkels, rechthoeken en ellipsen. Op deze begraafplaats rusten de sportman Jaap Eden, de natuurkundige Lorentz en de schrijver-schilder Jacobus van Looy onder een weelde aan exotische bomen.

Vroeger, als je verkeersexamen moest doen, leerde je uit je hoofd waaraan je te allen tijde voorrang moest verlenen: politie, brandweer, ziekenauto, begrafenisstoet, militaire colonne, tram. De begrafenisstoet is inmiddels uit dit rijtje geschrapt - niet dramatisch misschien, maar wel tekenend voor deze tijd.

Het is verheugend dat de Stichting Open Munumentendag dit jaar speciaal aandacht aan begraafplaatsen besteedt. Ze verdienen aandacht en onderhoud. Als ik nog even schaamteloos mag moraliseren: een volk dat zijn begraafplaatsen verwaarloost, is ten dode gedoemd.