Applaus voor virtuoos circusspel van Platel

Op uitnodiging van NRC Handelsblad doet Clemens Prokop, theatercriticus van de Süddeutsche Zeitung, verslag van het Theaterfestival, waar de tien belangwekkendste Vlaamse en Nederlandse theaterproducties van het afgelopen seizoen te zien zijn.

Wie de Belgische theatermaker Alain Platel wil begrijpen, moet eens afdalen in de ontbijtbunker van mijn hotel. Daar moet men met wonderlijke lieden een onafgeruimde tafel delen, krioelt men als een mierenhoop rond het buffet, dringt men voor bij de koffiemachine. En opeens blijkt in dit helletje op aarde Bach zich het vuur uit de snaren te spelen. Zacht borrelt te midden van de chaos de barok uit de luidsprekers en het gevoel van onmacht is afschuwelijk: twee werelden ontmoeten elkaar maar botsen niet.

Dit is wat Alain Platel laat zien. Zijn verdoemden zijn geen hotelgasten maar circusgasten. Bij een morsige veranda ergens ter wereld hebben zij hun kamp opgeslagen, en daarvoor verricht het met negen andere gezelschappen voor het Theaterfestival uitverkoren Les Ballets C. de la B. allerlei kunststukken: de artiesten vreten vuur, balanceren met steigerplanken, laten bowlingballen op golfijzeren buiken ploffen. Ze vechten en minnen. En ook bij dit alles speelt, op een verhoogd toneel op het toneel, een barokensemble Bach en zingen solisten diens aria's. Theaterfestivals functioneren soms als tv-shows: het publiek zapt en deelt zijn applaus uit als een rapportcijfer. Het doet er niet toe of na talrijke miniaturen de blijdschap over weer eens een `grote productie' in de Stadsschouwburg zwaar weegt; of de verbazing en het genoegen om het virtuoze circusspel van Platel de doorslag geeft, of althans de tevredenheid over een amusante, het eerste uur zelfs onweerstaanbaar meeslepende voorstelling – wanneer applaus beslissend is, is Platels Iets op Bach zonder twijfel nummer één.

De machinerie van het Theaterfestival loopt na Brussel ook in Amsterdam op volle toeren. De helft van de tien beste producties van het vorige seizoen is uitgevoerd. Tot dusver staat één ding wel vast: provocerende, polariserende en al te gedurfde voorstellingen ontbreken. Maar daar staat een rijke oogst tegenover, vooralsnog zonder echte flops. Vooral het gedestilleerde, geconcentreerde van de voorstellingen valt op. Een briljante Fedja van Huêt vertelt in Ongebluste Kalk het verhaal van Marinus van de Lubbe, die metselaar was en de wereld wilde redden, wiens hart laaide van verlangen naar gerechtigheid en die daarom de Rijksdag in brand stak toen de bruine Duitse republiek allang een vlammenzee was. Van Huêt hakkelt zijn tekst, rukt de woorden met geweld uit zijn mond, slingert ze de zaal van theater Bellevue in. Marinus vecht met zichzelf en met de wereld, en Van Huêt krijgt gedaan wat niet veel mensen kunnen: hij worstelt een avond lang op de rand van de afgrond. Hij wordt door de wereld voortgedreven. Hij wil zo graag iets doen, maar de wereld doet iets met hém. Gejaagdheid, angst, ademloosheid – Fedja van Huêt verbeeldt Van der Lubbe's gecompliceerde karakter met ontroerende scherpte.

In één scène stort Marinus een zak kalk over zijn hoofd uit. En zoals hij er dan bijstaat, met wit bestoft gezicht, met alleen die grote donkere angstogen, lijkt hij ineens op de domme jongen Pim, het `rotjoch', die is ontdekt door Toneelschuur Producties. Gerardjan Rijnders heeft een vrije bewerking gemaakt van Patrick McCabe's vertelling The Butcher Boy, en regisseur Guy Cassiers zet Herman Gilis voor een wit doek. Ook Pim is een eenzame strijder. Onder zijn masker van gaas ziet hij eruit als de kalk-witte Marinus maar tegelijkertijd ook als een monster – vervreemd van zichzelf, vervreemd van de wereld. Want ook Pim heeft met vuur gespeeld en en zijn gezicht is verbrand. Wat hij in de mocrofoon brabbelt zijn herinneringen. De stemmen die door zijn kleine hoofd daveren komen tot leven op het witte doek. Zijn alcoholische vader buldert in vette letters. Zijn moeder spreekt klein en zacht, en op halve hoogte. De kinderen, Joop en Pim, zijn ook typografisch de underdogs – verbannen naar de onderste rand van het doek. Joop weet niettemin de maatschappelijke ladder te beklimmen en typt zijn weinige brieven op de schrijfmachine. Dat ziet er niet fraai uit. Pim blijft achter en natuurlijk loopt alles slecht af.

Anders dan Ongebluste kalk moet Rotjoch het niet in de eerste plaats hebben van een groot acteur maar van iemands stem die verward raakt met het drukwerk in zijn hersenen. De techniek is maar bijzaak. Cassiers heeft de acteurs afgeschaft. Dat kan men betreuren, maar het winstpunt is dat zijn doek leeft. De schrifttekens, lettergrepen, zinnen worden tot scènes. De filmbeelden maken zich meester van Pim; vuur brandt eerst op zijn borst en vreet zich dan in zijn gezicht. Cassiers brengt emotioneel theater tot ontbranding – soms onnodig naar het komieke neigend – in Pims hoofd. Ook het element muziek laat hij niet onbenut en schuwt de ordinaire klank van het Hammond-orgel niet.

De meeste producties die ik heb gezien, maken gericht gebruik van muziek. Niet omdat het theater sprakeloos is geworden, en ook niet zoals wel wordt gemeend bij wijze van nadrukkelijke illustratie. Door het elektronische klankdecor krijgt het verhaal van Marinus van der Lubbe een nieuwe dimensie, krijgt de luidruchtige wereld van de jaren '30 de kans door te dringen in zijn leven, het fabrieksgeraas, het gestamp van een trein. De muziek weet de machines met de moraal te vermengen – ze is decor en binnenwereld tegelijk.

Ook Iets op Bach ontleent zijn tragiek aan muziek. Onlangs heeft balletproducent Joachim Schlömer in Basel iets dergelijks geprobeerd: hij schreef een choreografie op madrigalen van Claudio Monteverdi en zette onder de vrolijke klanken van de musici een woordloze oorlog in scène. Ook Platel speelt met dat ontzagwekkende niveauverschil. Zijn circusartiesten slaan, schoppen, bijten en krabben. Ze hunkeren naar liefde maar kunnen zich alleen onmenselijk gedragen. Niets is wat het lijkt: de ongenaakbare schone blijkt een snol; de blondine die zo trots met haar achterste wiegt heeft geen borsten. En bij dit pandemonium speelt het Ensemble Explorations muziek die de hemel bezingt. Wat bij Schlömer nog slaagde, doordat hij een beschreven handeling kon illustreren, wist me bij Iets op Bach niet te overtuigen, wat vooral aan de onthutsend wisselvallige kwaliteit van musici en zangers lag. Platel weet zo zijn hemelse muziek geen fundamentele bestaansreden te geven.

Hoe het zij, ik zie één troost: het Theaterfestival toont dit jaar een lange stoet van eenzame mensen. Allen schreeuwen ze om liefde en hebben ze niemand die hen hoort. Maar Alain Platels meisjes kunnen nog huilen. Ze verketteren zelfs de Navo (hier dringt de correcte politiek in het theater door) en willen met hun geschreeuw de Palestijnen de vrijheid geven. Dan snikken ze hartverscheurend – ze zijn het treuren niet verleerd. Annemarie Prins, die met haar Harmoniehof in het parallelprogramma is vertegenwoordigd, kijkt alleen maar wat droevig treurig als ze terugdenkt aan haar vroege jeugd: ,,Ik kon niet huilen,'' zegt ze, en slikt droogjes. Platels intens menselijke circus-hel werkt daarbij vergeleken inderdaad vertroostend.

Het Theaterfestival duurt t/m 13/9. Inl. (020) 4226464.