Aanval op de nieuwe vijand

Het gaat goed met de verdediging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie: verval en vergetelheid, de nieuwe vijanden, hebben het zwaar nu steeds meer forten een nieuwe bestemming krijgen en het publiek er steeds vaker en eenvoudiger toegang krijgt. Ook Russen, Fransen, Pruisen en andere nazaten van negentiende-eeuws gespuis zijn welkom, op voorwaarde dat ze het fraaie metselwerk respecteren en de vleermuizen met rust laten. In september gaan alle forten in de provincie Utrecht nog eens extra vaak open. Noem het een Fortenmaand.

In het licht van het heden krijgen de forten een ironisch aureool. Tussen 1815 en 1885 gaf het jonge koninkrijk vermogens uit, en waren duizenden met spades en kruiwagens in de weer om tussen Biesbosch en Zuiderzee een sluitend systeem van inundatiegebieden aan te leggen; waar dijken en verhoogde wegen de blank te zetten gebieden doorsneden, lagen de forten. Bravo, roepen we nu, dit is geweldig voor grootoorvleermuis en bosuil, en niet minder voor het historisch besef van schoolkinderen die hier een tijdje mogen ronddarren. Als ze ook nog de helft of meer van het vragenformulier invullen en als juf de avond tevoren tussen Goudkust en het achtuurjournaal de studiemap heeft doorgebladerd, zijn al die miljoenen blaren niet voor niets geweest.

Dergelijke gevoelens krijg je terwijl het schitterende metselwerk van slaapzalen, remises, gangen, munitiedepots, latrines en trappenhuizen iedere stap en ieder woord met een echo beantwoordt. Feit is dat de aanleg zo lang duurde dat de forten bij oplevering al ernstig waren verouderd. Pijnlijk was bijvoorbeeld de uitvinding van de brisantgranaat rond 1885: rissen gebouwen waren in één klap niet langer bomvrij. Feit is ook dat er nooit gevochten is rond de forten. Die ene keer dat er echt een vijand verscheen, op 14 mei 1940, waren de inundaties te laat in werking gesteld en was de verdedigingswaarde van de forten te verwaarlozen. Anderzijds: een goed verdedigingssysteem wordt nooit gebruikt, en wie weet voor welke ellende de Nieuwe Hollandse Waterlinie ons heeft behoed.

Op Fort Ruigenhoek, iets ten noorden van Groenekan waar twee dijken elkaar kruisen, gaan boswachter Bert van Dijk van eigenaar Staatsbosbeheer en Miranda Oudendijk van het Utrechts Bureau voor Toerisme voor over kazematten, bunkers en andere leerzame terreinwelvingen, door stalen deuren, en onder metersdikke gewelven. Binnen is het klam en vochtig, van de droogte en hitte buiten is weinig te merken. Zelfs zonder vijand hielden soldaten het hier in winters en andere natte jaargetijden maar een paar maanden vol. Een enorm pakket zand en grind op het dak diende als filter voor wat erop viel: bommen werden tegengehouden, regen mocht op daartoe bestemde plekken naarbinnen. Geschikt voor drinkwater - 1935 staat bij een tappunt. Van Dijk vertelt dat de voedselarme dakbedekking nu vooral geschikt is voor een flora die mooi contrasteert met de veenminnende planten en dieren op het maaiveld. Voeg daarbij de slotgracht en de rust waar Defensie tot 1993 voor zorgde, en de hoge natuurwaarden zijn geen verrassing meer. IJsvogels en bosuilen broeden hier, vlinders fladderen met velen. En daarom mogen al te veel mensen hier nog steeds niet al te vaak komen. ,,De militaire achtergronden zijn belangrijk, maar dat is het niet alleen'', zegt Oudendijk, die ondermeer verantwoordelijk is voor allerlei speciale activiteiten voor kinderen in de Fortenmaand. ,,Het moet niet alleen gaan over oorlog en schieten en dood en verderf; de forten hebben een veel rijker verhaal te vertellen.'' Over de toekomst bijvoorbeeld.

Op Fort de Bilt opent Geu Visser van de Stichting Vredeseducatie de deur van een kleine mitrailleurbunker uit 1936. Binnen staat een luchtpomp om de kruitdampen naarbuiten en verse lucht naarbinnen te blazen. In gedateerde belettering zegt een bijschrijft dat 45 slagen per minuut volstaan om 12 personen in leven te houden. Op de muur ernaast staat een lofdicht op Koningin Wilhelmina. En een paar meter verder, buiten, herinnert een monument aan de 140 mensen, voornamelijk verzetsstrijders, die hier in 1942-'45 werden gefusilleerd.

Dat sommigen van hen in hun laatste nacht aan de luchtpomp moesten zwengelen om in leven te blijven, wordt niet speciaal onder de aandacht gebracht van de honderden schoolkinderen die hier maandelijks komen. ,,Vroeger was dat het verhaal van Fort de Bilt'', aldus Visser. ,,Wij vertellen een ander verhaal: dat je weer verder moet kijken.''

Fort de Bilt, gebouwd vanaf 1816 en sinds 1930 door een drukke weg doorsneden (in de andere helft zit Marechaussee), heet nu Herinneringscentrum voor de toekomst. ,,Vanuit deze beladen plek willen we inzicht geven in vooroordelen en zondebokmechanismes, en laten zien dat je je kunt verzetten tegen onrecht'', zegt Visser in een wat klamme, mooie expositieruimte. ,,Er zijn ons een oude stencilmachine en een mitrailleur aangeboden. We zeiden: dat doen we niet. Wij zijn niet collectie-georiënteerd maar we gaan uit van een gedachte en daar hebben we dingen bijgezocht.''

Het tentoongestelde moet de potentiële oorlogsvoerders van de 21-ste eeuw helpen bij vragen als `Waarom doet een meeloper niets?' In de categorie `waar/niet waar' worden ze geconfronteerd met de uitspraak: `Zeeland is in 1940 verdedigd door Marokkanen' (waar) en in de categorie `niet waar/soms waar' met `kiwi's zijn mensen'. Bij `vooroordeel/geen vooroordeel' luidt een van de stellingen `Belgen zijn slimmer dan Nederlanders', en dat is een lastige - hier op deze stelling en gelet op het feit dat de Belgen geen waterlinie hadden.