Turkije gaat voetje voor voetje richting dialoog met Koerden

De Turkse autoriteiten beginnen vreedzame uitspraken van de PKK serieus te nemen.

Zelden werden wapens zo snel omgevormd tot ploegijzers. In een vraaggesprek dat Osman Öcalan, lid van de Presidentiële raad van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en broer van PKK-leider Abdullah, vorige week aan de Koerdische Medya-tv gaf, maakte hij geen woord meer vuil aan de vijftienjarige strijd voor een eigen land. Het ging alleen over al het moois dat zou kunnen ontstaan als Koerden en Turken samen hun schouders onder de toekomst van het door de burgeroorlog verscheurde zuidoosten van Turkije zouden zetten. De PKK zal nooit meer vechten en wil zich op een aanstaand congres tot een politieke partij omvormen, zo liet Osman weten. De kameraden in de bergen leggen de wapens voor altijd neer, zo verzekerde Osman.

Het was niet de eerste keer dat de PKK opriep tot vrede. Abdullah, de Grote Leider zelf, liet tijdens zijn proces in juni immers al weten dat hij bereid was om alle PKK-strijders uit de bergen te halen, als de Turkse regering daartoe een verzoek tot hem zou richten. Maar in de tussentijd is de stemming in Turkije aanzienlijk veranderd. Werd in juni de oproep van Abdullah algemeen afgedaan als een poging van de Leider om het vege lijf te redden, nu groeit het besef, ook binnen de Turkse regering, dat er momenteel wel degelijk een historische kans is om een duurzame oplossing te vinden voor de problemen van het Koerdische zuidoosten. En dus zet ook de Turkse regering voorzichtig stappen in de richting van een dialoog.

Zo ontving president Demirel onlangs een groep van zeven burgemeesters die lid zijn van de pro-Koerdische HADEP-partij. Deze staat, zo wordt algemeen in Turkije aangenomen, dicht bij de PKK maar heeft zich altijd verre gehouden van de gewapende strijd. ,,Een proces van nationale verzoening is niet mogelijk zonder een grote rol voor de HADEP'', schreef het dagblad Hürriyet. Demirel liet de burgemeesters weten dat ,,zijn deur altijd voor hen openstaat''.

Ook in het Turkse parlement is de stemming langzaam aan het veranderen. In juni haastten veel parlementsleden zich nog te verklaren dat zij zonder een seconde na te denken voor uitvoering van de doodstraf van Abdullah Öcalan zouden stemmen. Datzelfde parlement heeft inmiddels ingestemd met een `regeling van berouw'. Deze komt in feite neer op een amnestie voor PKK-leden (uitgezonderd de leiders). Via de regeling hoopt de regering een groot aantal strijders uit de bergen te herintegreren in de Turkse maatschappij. En zelfs het Turkse leger heeft in de persoon van generaal Huseyin Kivrikoglu, chef van de generale staf, er vrijdag voor het eerst blijk van gegeven de woorden van de PKK serieus te nemen.

De voorzichtige wil tot dialoog van de Turkse autoriteiten is niet alleen een reactie op de uitbundige vredesverklaringen van de PKK. Want die beweging heeft nauwelijks een andere keus nu de Grote Leider op de strop wacht en de gewapende strijd al zo goed als verloren was. Belangrijker voor Ankara is dat ook de internationale gemeenschap zich steeds duidelijker uitspreekt voor een duurzame oplossing van het Koerdische probleem, zelfs Turkijes bondgenoot bij uitstek, de Verenigde Staten. Zo liet de Amerikaanse onderminister voor Humanitaire Aangelegenheden, Koh, tijdens een bezoek aan Turkije weten dat de Koerden de kans moeten krijgen om zich democratisch te uiten.

Even belangrijk is de houding van de Europese Unie. De afgelopen tijd heeft een aantal landen van de EU, waaronder Duitsland, zich voorstander getoond van het verlenen van de status van `kandidaat-lid' aan Turkije. Lidmaatschap van de EU is zo belangrijk voor het Turkse establishment (dat in navolging van de vader des vaderlands, Atatürk, de toekomst van de Turkse natie in het Westen ziet liggen) dat het alleszins bereid is om daar concessies voor te doen. Een van die concessies zou moeten zijn – in overeenstemming met de zogeheten criteria van Kopenhagen die de voorwaarden voor EU-lidmaatschap specificeren - dat de rechten van minderheden adequaat worden beschermd. Zoals de situatie in het zuidoosten nu is, voldoet Turkije niet aan `Kopenhagen'.

Paradoxaal genoeg kan alleen het lot van Abdullah Öcalan zelf – die zich tijdens zijn proces toch zo'n groot voorstander toonde van vrede en dialoog _ roet in het eten gooien. Zeer binnenkort spreekt het Hof van Cassatie zich uit over het doodvonnis van de PKK-leider. Mocht het Hof het vonnis handhaven, dan is de beurt aan het parlement in Ankara. Weinigen in Turkije geloven dat de afgevaardigden het doodvonnis zullen torpederen omdat de publieke opinie de strop liever vandaag dan morgen zou omleggen. In zijn gesprek met Medya-tv onderstreepte Osman Öcalan dat zelfs na een eventuele executie van zijn broer – die overigens in Turkije steeds onwaarschijnlijker wordt geacht – de PKK de wapens niet meer zal opnemen. Maar omineus voegde hij daaraan toe dat de PKK-leiding misschien niet in staat zal zijn om de emoties van de leden onder controle te houden. En een aantal van die leden heeft, ondanks alle zorg voor het lot van de Leider, moeite met de nieuwe vredespolitiek. Enige tijd geleden schreef de krant Milliyet dat een PKK-groep in de bergen had laten weten daar te zullen blijven en zich niet buiten Turkije terug te trekken, zoals de leiding had bevolen. Alleen de PKK-commandanten gaan het land uit, zo maakte het Turkse leger vorige week bekend, de rest van de manschappen houdt zich simpelweg stil in de bergen. Alleen genade voor Abdullah zal twijfelende PKK-aanhangers kunnen overtuigen dat het tijd is een nieuw hoofdstuk te beginnen.