Rust en orde

De grote verdienste van het bewind van koningin Beatrix – van haarzelf, prins Claus, de verantwoordelijke ministers – is dat de monarchie zich niet heeft laten politiseren. In de kwart eeuw daarvoor is het anders geweest. Door menselijk, al te menselijk gedrag dat intussen uitentreuren is uitgesponnen, waren leden van het koninklijk huis in de publiciteit gekomen. Commissies van wijze mannen traden aan (de vrouwen deden in deze vorm van wijsheid nog niet mee, zo lang is het geleden), de media kozen partij, het volk idem en aan tumult om en over de monarchie was geen gebrek. De inhuldiging van Beatrix was in zekere zin de apotheose. Het centrum van Amsterdam werd het toneel van een burgeroorlog (altijd nog naar Hollandse maatstaven), en kort daarna was het afgelopen.

In de moderne constitutionele monarchie, met de drang tot openbaarheid, alle pogingen tot forcering van de intimiteit, de macht van de media en het politieke belang van `populariteit', is het risico dat een openbaar persoon in het ongerede raakt steeds groter geworden. De afgelopen 19 jaar hebben koningin en prins in samenwerking met de verantwoordelijke ministers al deze valkuilen vermeden. Ook daardoor is de monarchie steviger gevestigd, en begrijpen overtuigde republikeinen dat dit niet de juiste sfeer is voor een staatkundige revolutie. Vergelijking met het verleden leert dat de persoonlijkheid van het staatshoofd de belangrijkste factor is. Er is in deze 19 jaar niets geweest dat de natie in partijen heeft verdeeld, er is geen politiek belang geweest dat geprobeerd heeft het staatshoofd te monopoliseren. Ook dit negatief in de omschrijving geeft weer wat de verdienste van dit koningschap is.

Hoewel de periode-Beatrix nog lang niet ten einde is (hoop ik), hebben we ons de afgelopen jaren wat meer kunnen verdiepen in de persoonlijkheid van prins Willem-Alexander die, als alles goed blijft gaan, koning van Nederland zal worden. Begin vorig jaar zou hij lid worden van het Internationaal Olympisch Comité. Dat plan werd tot een politiek controversiële zaak. In een column op deze pagina, Vlag op een modderschuit, noemde J.L. Heldring een aantal olympische incidenten met politieke implicaties. Het IOC met zijn voorzitter Samaranch onttrok zich onveranderlijk aan de verantwoordelijkheid met de verwijzing naar de olympische wet dat `sport en politiek niets met elkaar te maken hebben'. Sport verbroedert, enz. Een oude, onverwoestbare leugen, zoals ook Heldring ongeveer noteerde. Hij beschreef de uitbarstingen van tribune-nationalisme en extase op het veld na het behaalde kampioenschap van de hockeyvrouwen in Atlanta en voegde daaraan toe: ,,Een fatsoenlijk mens moet daar ver van blijven.'' Hij besloot: ,,En dan hebben we het nog niet eens over het ongure gezelschap dat het IOC is. De prins dient daar als een vlag op een modderschuit.''

De critici kregen gelijk. Het IOC bleek een corrupte bende. Er volgden drastische zuiveringen. Het is niet onmogelijk dat die mede werden ondernomen om de weg voor het lidmaatschap van de kroonprins vrij te maken en zodoende het bedenkelijk gezelschap weer salonfähig te maken. Naar het oordeel van het verantwoordelijke kabinet was er op zeker moment genoeg gezuiverd. Op 17 juni werd de kroonprins beëdigd, onder het toeziend oog van de heer Samaranch. Deze voorzitter had de corruptie niet bijtijds gezien. Nu beloofde hij dat de crisis verder zou worden aangepakt, maar hij waarschuwde tegen `haastige hervormingen om de critici een plezier te doen'. Dat sport verbroedert en niets met politiek te maken heeft, blijven twee geloofsartikelen van het IOC. Intussen trainen de Nederlandse en Belgische oproerpolitie voor de EK in 2000, de volgende verbroederende voetbalkampioenschappen. Engeland-Duitsland schijnt de gevaarlijkste finale te zijn. Het IOC is het EK niet, zullen de kenners zeggen. (Het IOC wordt verder hervormd door een commissie van Henry Kissinger, Boutros Boutros-Ghali en de Belgische chirurg Jacques Rogge).

Nu verschijnt mevrouw Maxima Zorreguieta op het toneel. Romance. Er zal niemand zijn die de prins en het meisje niet alles gunt wat bij een romance komt kijken. Maar dit is een koninklijke romance. Dan zou er nog niets bijzonders aan de hand hoeven te zijn, ware het niet dat in de mediamonarchie deze twee gelukkige mensenkinderen door een legioen uit het mediapersoneel wordt besprongen, opdat zoveel mogelijk onderdanen van dit allerparticulierste geluk kunnen meegenieten. De minister-president vermoedt `het grote geld', springt voor het tweetal in de bres, en eist `rust en orde'. Of je `koest!' roept tegen een roedel wolven. Nog ervan afgezien dat daarmee de persvrijheid aan andere interpretaties wordt onderworpen: bijvoorbeeld kan worden verward met de `goede smaak', die vaak met de zuivere persvrijheid niets te maken heeft.

Misschien is er `vriendschap', misschien meer. Maar er is in ieder geval een publiciteitsgolf die door zijn onbeheersbaarheid alleen al een politieke betekenis krijgt. Deskundigen verdiepen zich, royalty-watchers lichten toe, de eerste staatsrecht- en godsdienstgeleerden dienen zich aan. Daarmee, of minister-president en kroonprins het willen of niet, is een begin van politisering gegeven. Dat had iedereen kunnen voorzien.

Ten slotte horen we een en ander van de vader van het meisje. Misschien is zijn carrière niet helemaal in overeenstemming met de democratische idealen die het poldermodel koestert. Het naadje van de kous kennen we niet. Het kind kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor wat haar vader heeft gedaan. Laat haar met rust, zegt men. Graag. Maar als ze toekomstig koningin van Nederland zou worden, houdt ze op particulier persoon te zijn. Daar gaat het om. Zolang deze romance bloeit, met de gegeven inhoud van het voorafgaande, blijft het risico van verdere politisering. Dat is het verschil met de afgelopen negentien jaar. Daarin schuilt het nadeel van deze gang van zaken, waarbij dus de deugden van het meisje nog niet aan de orde zijn.

En overigens is het `Wat doet haar vader?' een klassieke Hollandse vraag aan een zoon die met zijn aanstaande over de drempel komt.

    • H.J.A. Hofland