Europese Commissie wil opheldering

De Europese Commissie heeft Nederland om opheldering gevraagd, omdat mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun in de zogenoemde Ceteco-affaire.

Minister Peper (Binnenlandse Zaken) wil vooralsnog geen oordeel geven over de handelwijze van commissaris van de koningin in Zuid-Holland J.M. Leemhuis-Stout in de zogeheten Cetecoaffaire. Hij wacht daarmee tot de onderzoekscommissie onder leiding het Eerste-Kamerlid Van Dijk met haar bevindingen komt. Dat zal rond 1oktober zijn, zo verwacht Peper. Wel wijst Peper er op voorhand op, dat een commissaris van de koningin sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Gemeente- en Provincie-wet in 1994 alleen verantwoording schuldig is aan Provinciale Staten en niet aan de regering of aan een minister. De bewindsman heeft dit vandaag in een brief aan de Tweede Kamer laten weten.

Een groot aantal Kamerleden heeft Peper en diens collega Zalm (Financiën) in juli schriftelijke vragen gesteld, toen bekend werd dat de provincie Zuid-Holland op een financieel fiasco afstevende wegens een lening van 47,5 miljoen gulden aan het noodlijdende handelshuis Ceteco. Uit een onderzoek van het bureau Arthur Andersen is gebleken dat Zuid-Holland ook aan andere instellingen leningen heeft verstrekt en om dat te kunnen doen zelf leningen is aangegaan. Het gaat om een bedrag van in totaal 1,7 miljard gulden. Verder is sprake van 650 miljoen aan leningen waarvan de looptijd nog niet is ingegaan.

Peper veroordeelt het speculeren door de provincie nadrukkelijk. Volgens hem ,,onderscheidt dit zich van efficiënt middelenbeheer''. ,,Naar algemeen bestaande opvatting binnen het openbaar bestuur zijn risicovolle activiteiten geen taak voor overheden en behoren overheden bij het beheer van publieke middelen risico's zoveel mogelijk te mijden. Het is evident dat het aantrekken en uitzetten van leningen en het verlenen van garanties door openbare lichamen uitsluitend behoren te geschieden ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak.''

Als een gemeente of provincie al voor bank gaat spelen om zo extra inkomsten te genereren, kan dat om ,,fluctuaties in de liquiditeitspositie te egaliseren''. Maar dat kan alleen als de lagere overheden in zee gaan met een ,,gegoede tegenpartij''. Naar de normen van het rijk kan pas van een gegoede partij worden gesproken als die instellingen of bedrijven over een zogeheten `A-rating' beschikken.

Peper wijst er op dat in de nieuwe Wet financiering lagere overheid 2000, die nu bij de Raad van State ligt, duidelijke normen staan.