Directeur

Toen ik in de jaren zestig als journalist bij een kleine krant begon, was de directeur iemand die niet helemaal voor vol werd aangezien. Je zag hem soms als een anonieme boekhouder over de gang schuifelen, een beetje schuldbewust, alsof hij ook wel besefte dat hij niets te maken had in de buurt van de redactielokalen, louter gevuld met geniale bohémiens.

Achter zijn rug werd meewarig over hem gegniffeld. Hij scheen de haren van de jonge redacteuren veel te lang te vinden, en hij had tevergeefs geprobeerd zijn jongste, minst begaafde zoon een plekje op de binnenlandredactie te bezorgen.

Het maandelijks stipt op tijd vullen en overdragen van de bruine loonenvelopjes, daar was hij in onze ogen nog net goed genoeg voor. Voor de rest moest hij zich koest houden, wij maakten die krant wel.

Hij leek zich in zijn lot te schikken. Het waren de tijden van met hartstocht beleden redactionele autonomie, van de krant als onaantastbaar cultuurgoed. Hadden we eigenlijk wel een hoofdredacteur nodig?

Wisten wij veel dat de tijd van de directeur nog moest komen.

Tegenwoordig weet een journalist nauwelijks meer hoe zijn directeur eruitziet. Het kan gebeuren dat hij zijn televisie aanzet en opeens beseft: hé, dat is mijn directeur.

Maar dan is het al te laat. Want die directeur verschijnt niet zomaar voor de aardigheid in beeld. Hij heeft iets te melden, iets onplezierigs, en je kunt aan alles merken dat hij daarna zo snel mogelijk naar huis wil, weg van die lastige journalisten.

Zo was er gisteren in het NOS-Journaal opeens de wat knorrige verschijning van Joep Brentjes, topman van VNU. De verslaggever vroeg hem of hij zich de gevoelens kon voorstellen van de journalisten, die hun krant van de ene op de andere dag verkocht zagen aan een nieuwe eigenaar, Wegener Arcade, in wie ze nooit enig vertrouwen hadden gehad.

,,Daar zullen ze aan moeten wennen'', knorde Brentjens knorrig. Begreep hij dan niet dat dit gevoelig lag? Nou ja, dat wilde hij dan wel beknorren als de verslaggever daar zoveel behoefte aan had: ,,Natuurlijk ligt dat gevoelig.''

Zó gevoelig zelfs dat Brentjens tot het allerlaatste moment had gewacht om de hoofdredacteuren van de betrokken kranten in te lichten over de identiteit van de nieuwe eigenaar.

Een van die hoofdredacteuren, Tony van der Meulen van het Brabants Dagblad, schreef enkele dagen eerder in zijn krant: ,,Dit voorjaar nog bezwoer de voorzitter van de raad van Bestuur, Joep Brentjens, dat er van verkoop van zijn dagbladen geen sprake was, wij waren een `vitaal onderdeel' van VNU. Nu dus niet meer, terwijl hij er toch zo vertrouwenwekkend bij keek.''

In het NOS-Journaal konden we J. Houwert, topman van Wegener Arcade, horen zeggen dat er voorlopig geen banen zouden verdwijnen. Ook hij keek er uitermate vertrouwenwekkend bij.

    • Frits Abrahams