De taal van jongens van de vlakte

Er wordt wel eens beweerd dat er tegenwoordig helemaal geen Bargoens meer wordt gesproken, maar dat is onzin. Bargoens is van oorsprong de taal van de dieven, de landlopers, de hoeren en de marskramers. Om niet door de politie of andere buitenstaanders te worden afgeluisterd, spraken zij onder elkaar een geheimtaal. Maar ja, om onverstaanbaar te blijven, moet je je geheimtaal steeds aanpassen. En dus gebruiken de boeven van nu weer andere woorden dan die van vroeger.

Toch is er ook veel hetzelfde gebleven. En bovendien blijken veel Bargoense woorden tot de algemene spreektaal te zijn doorgedrongen. Denk maar aan geldnamen als joetje, heitje, geeltje en rooie rug – ooit aanduidingen die alleen door de `jongens van de vlakte' werden verstaan. In de eerste helft van deze eeuw is de dieventaal vastgelegd in twee kleine woordenboekjes die inmiddels uiterst zeldzaam zijn. Maar sinds afgelopen zaterdag zijn ze weer verkrijgbaar, exclusief bij De Bijenkorf. Ze zijn fotomechanisch herdrukt en samengebracht in één band, uitgebreid met een uitvoerig thematisch register.

Het eerste boekje verscheen in 1906 en heet De Boeventaal. In de vakliteratuur wordt het altijd aan W.H.L. Köster Henke (1862-1947) toegeschreven, maar in feite is het samengesteld door enkele Amsterdamse dienders van bureau Sint Pietershal aan de Oudezijds Voorburgwal. Köster Henke was daar indertijd commissaris. Hij schreef het voorwoord en zorgde dat het boekje werd uitgegeven.

Hij deed dat om de politie vooruit te helpen. Köster Henke was een hervormer. Hij pleitte voor de oprichting van een Rijkspolitieschool, voor het afnemen van politie-examens en voor het gebruik van politiehonden. Hij stelde allerlei boeken samen die het werk van de agent moesten vereenvoudigen en ook met Boeventaal had hij een opvoedkundige bedoeling. Wie de geheimtaal van de kroeghouders, slaapsteehouders, prostituees, opkopers en pandjeshuishouders kon verstaan, kon hen beter aanpakken, zo schreef hij in zijn voorwoord.

Köster Henke wilde dat alle agenten in de grote steden een exemplaar van Boeventaal op zak zouden dragen, maar tot zijn teleurstelling gebeurde dat niet. In zijn memoires schreef hij in 1945: ,,Het was wel spoedig uitverkocht, maar in Amsterdam werd het niet, zooals toch verwacht mocht worden, aan de bureaux verstrekt.'' Naar een reden hoeft men niet lang te zoeken: tot grote ergernis van Köster Henke was de Amsterdamse politie indertijd buitengewoon gierig. In zijn memoires komt hij daar een paar maal op terug. Het salaris was belabberd, de uniformen waren slecht en men wilde zelfs geen geld uittrekken om het bureau Sint Pietershal te ontdoen van de vele wandluizen.

Het tweede Bargoense woordenboekje dat nu fotomechanisch is herdrukt, is De Gabbertaal. Het werd in 1937 samengesteld door de Haagse onderwijzer E.G. van Bolhuis (1887-1970). Van Bolhuis was ook dichter en schrijver. In totaal publiceerde hij ruim dertig dichtbundels, toneelstukken, novellen en romans – werken die nu allemaal vergeten zijn.

Dat geldt niet voor zijn woordenboekje, dat driftig is geplunderd door onder meer de samenstellers van de Grote Van Dale. Ook het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het grote wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, heeft er altijd dankbaar gebruik van gemaakt.

Hoe Van Bolhuis precies te werk is gegaan, is niet bekend. Hij heeft het nodige uit andere bronnen overgenomen, maar toch ook veel opgetekend uit de mond van Bargoenssprekers, vooral in Amsterdam, een stad die hem erg aantrok. ,,Zijn betrekking houdt hem te Den Haag, maar zodra hij enige dagen vrij heeft, wipt hij naar Amsterdam'', schreef iemand over hem. Van Bolhuis maakte in de hoofdstad doorlopend notities, zowel ,,onder de straatlantaarn als in het roezig koffiehuis''.

Het resultaat mag er wezen: in Boeventaal staan 1696 Bargoense woorden en uitdrukkingen, Van Bolhuis noteerde er in Gabbertaal 4371 – de grootste collectie die tot nu toe door één persoon is samengebracht. De justitiële vakbladen waren unaniem lovend. Zo schreef het Algemeen Nederlandsch Politie Weekblad: ,,Voor zulk een uitgave zal niet alleen bij de politie en de justitie belangstelling bestaan, maar ook bij hen die de taal bestudeeren.''

Toch verkocht Gabbertaal voor geen meter. De oorspronkelijke uitgever verkocht de titel binnen een jaar aan een collega die het blijkbaar ook aan de straatstenen niet kwijt kon. Kennelijk was de tijd er nog niet rijp voor.

Ook Van Bolhuis dacht met zijn boekje politie en justitie een dienst te hebben bewezen. Dat ze hier niet diep van onder de indruk waren, bleek in 1945. In de oorlog was Van Bolhuis krap anderhalf jaar lid geweest van de NSB. Hoewel hij verder niets op zijn geweten had, zat hij hier ruim elf maanden voor in de bajes, de lik, het bonenhotel, de kaleboes, hotel de houten lepel – om eens vijf van de ruim vijftig Bargoense woorden voor `gevangenis' te gebruiken.

Maar wat Van Bolhuis nog veel erger vond, was dat hij daarna nooit meer les mocht geven. Ook als schrijver en dichter kwam hij niet meer aan de bak. In de jaren vijftig gaf hij in eigen beheer nog enkele dichtbundeltjes uit, die uitblinken door somberheid, eenzaamheid en een intens doodsverlangen. Van Gabbertaal wilde hij toen niets meer weten. Hij nam het niet op in het overzicht van zijn eigen publicaties, hoewel het sinds lang wordt gezien als een onmisbare bron voor de kleurrijke taal van de mannen en vrouwen die vóór de oorlog niet wilden deugen.

Boeventaal & Gabbertaal. Twee Bargoense woordenboekjes uit de eerste helft van de 20ste eeuw. 385 pagina's. Voor ƒ17,50 bij alle Bijenkorffilialen.