Berlijn krijgt centrum voor beeldcultuur

De Nederlands-Duitse fotoverzamelaar Manfred Heiting gaat in opdracht van de Duitse staat een nationaal centrum voor fotografie in Berlijn oprichten. In 2002 moet het centrum zijn deuren openen voor het publiek.

Het centrum wordt gevestigd in het huidige Aegyptisches Museum, vlakbij de Charlottenburg, dat naar het Pergamonmuseum verhuist. Met de verbouwing is dertig miljoen gulden gemoeid. Het nieuwe museum, het achttiende staatsmuseum in Berlijn, zal het totale spectrum van de fotografie bestrijken, vanaf de experimenten in 1841 tot de digitale fotografie van nu. Alle foto-verzamelingen van de Berlijnse staatsmusea worden er ondergebracht. Volgens de overkoepelende stichting Preussischer Kulturbesitz behoort dit nieuwe centrum straks tot de meest vooraanstaande fotoinstituten ter wereld.

Manfred Heiting (1943), die zelf een vermaarde verzameling fotografie opbouwde – van Adams tot Arbus –, is voor twee jaar als project-manager aangesteld. ,,Zo'n fantastische uitdaging komt maar één keer in je leven voor'', zegt Heiting, die afwisselend in Amsterdam en Los Angeles woont. ,,In twee jaar moet de organisatie op poten staan en ik wil dan nog maximaal drie jaar aan dit instituut verbonden blijven.''

Heiting, die in Duitsland werd geboren en diverse bestuursfuncties in Nederland bekleedt, houdt wereldwijd lezingen, organiseert tentoonstellingen en stelt fotoboeken voor de Duitse uitgeverij Taschen samen. ,,Eigenlijk behoor ik zo'n functie in Berlijn niet te bekleden. Ik ben géén kunsthistoricus, maar wèl een collectioneur en ik ben bovendien niet in Duitsland woonachtig. Dat vindt men allemaal heel ernstig'', lacht hij.

Behalve als tentoonstellingscentrum moet het instituut dienst doen als studiecentrum en als `meeting-point' dat workshops en fotostudio's biedt. Aan Heiting de taak om ook lange-termijn-sponsors te vinden en om miljoenen foto's te laten digitaliseren om daaruit de basiscollectie van honderd- tot tweehonderdduizend opnamen samen te stellen.

De Berlijnse museumverzamelingen variëren sterk: van een omvangrijke documentaire-collectie van opgravingen in het Midden Oosten, tussen 1860-1920, tot de `kunstfoto'-verzameling Juhl, die `groten' als Steichen en Stieglitz omvat. De jaren twintig en dertig zijn ruim vertegenwoordigd in het Bildarchiv en het Kunstgewerbemuseum (kunstnijverheid) bezit veel opnamen van Eugène Atget, die rond de eeuwwisseling in Parijs architectonische details vastlegde. De Amerikaanse fotografen Helmut Newton en diens vrouw Alice Springs hebben hun complete werk al aan het nieuwe centrum toegezegd.

Ondanks de vele beschikbare 19de-eeuwse opnamen, wil Heiting de huidige fotografische ontwikkelingen accentueren, Internet-presentaties bieden en het publiek online inzage geven in andere, vooraanstaande verzamelingen, zoals het Getty Museum in Los Angeles. ,,De fotografie zoals we die kennen, verdwijnt'', aldus Heiting; ,,door de digitale fotografie zullen er geen originelen meer bestaan. Aangezien wij het voordeel van de late beginner hebben, kunnen we nu met de meest geavanceerde technieken en apparatuur te werk gaan.'' Als het aanbod zo breed wordt, waarom heet het nieuwe museum dan niet simpelweg Centrum voor de Beeldcultuur, zoals straks in Rotterdam? ,,Het zou inderdaad zo moeten heten'', zegt Heiting, ,,maar in Duitsland wordt een term als `Bildkultur' snel geassocieerd met `Körperkultur' en dat ligt vanwege het fascistische verleden nogal gevoelig.''