Toenadering EU-Turkije dateert van voor de aardbeving

De aardbeving in Turkije heeft een golf van warmte over Europa gespoeld, en uitzicht geboden op het EU-lidmaatschap van Turkije. Toch was er al eerder sprake van toenadering.

Het leek een routinebijeenkomst die de leiders van de Europese christen-democratische partijen in maart 1997 in een voormalige abdij in een Brussels park hielden. Maar Duitse diplomaten hadden gewaarschuwd dat het gezelschap met onder anderen de toenmalige Duitse bondskanselier Kohl, de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie Santer en de Ierse premier Bruton een belangrijk besluit over Turkije zouden nemen.

Na afloop van de bespreking verdwenen de meeste aanwezigen door de achterdeur. Ze lieten het aan de voorzitter van de fractie van de Europese Volkspartij in het Europees Parlement, Martens, over om bij de voordeur te vertellen dat men unaniem besloten had dat Turkije niet aanvaardbaar was als lid van de Europese Unie.

Dat was het begin van een crisis in de betrekkingen tussen de EU en Turkije, waarvan volgens de EU-ministers van Buitenlandse Zaken, het afgelopen weekeinde bijeen in Finland, het einde nu in zicht is. De christen-democratische leiders hadden Turkije zwaar beledigd. Dat was niet alleen omdat hun besluit in strijd was met het associatieverdrag van 1963 waarin Turkije ,,op den duur'' het lidmaatschap van de toenmalige Europese Gemeenschap was toegezegd. Het was ook het gevolg van de uitspraken van de Nederlandse CDA-Europarlementariër Wim van Velzen.

Deze had in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Europese Volkspartij de bijeenkomst mogen bijwonen. Hij was ook door de voordeur gekomen en vertelde dat de christen-democratische leiders vonden dat ,,de culturele, humanitaire en christelijke waarden van Europa'' geheel anders zijn dan die van Turkije, overigens een opvatting die later ook door anderen gehuldigd werd zoals kandidaat-Eurocommissaris Bolkestein.

De opmerkingen van Van Velzen over het christelijke Europa zijn vervolgens aan Kohl toegeschreven. Maar het afgelopen weekeinde onderstreepte de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Fischer tijdens de bijeenkomst in het Finse Saariselkä nog eens dat de EU geen ,,christelijke religieuze gemeenschap, maar een gemeenschap van belangen'' is.

Voorafgaand aan het besluit van de christen-democratische leiders dat Turkije geen lid van de EU zou kunnen worden, waren de betrekkingen met Ankara ook al problematisch. Maar lange tijd konden EU-regeringen die er niet aan moesten denken dat Turkije ooit tot de EU zou toetreden, zich gemakkelijk verbergen achter de rug van Griekenland. Deze aartsvijand had er een gewoonte van gemaakt om zoveel mogelijk de EU-Turkse relaties met veto's te frustreren.

De christen-democratische leiders liepen in het voorjaar van 1997 vooruit op een ontwikkeling die zijn climax aan het einde van dat jaar bereikte tijdens de top van EU-regeringsleiders in Luxemburg. Daar werden elf landen officieel kandidaat voor het lidmaatschap van de EU. Niet al die landen voldeden aan de voorwaarden ten aanzien van democratie en mensenrechten om lid te worden, maar aangenomen werd dat ze zich in de loop van de jaren aan de EU zouden aanpassen.

Turkije werd geen kandidaat-lid. De EU zei bij monde van de Luxemburgse christen-democraat Juncker dat in de elf kandidaat-lidstaten, ,,niemand wordt gemarteld. Dat is helaas wel het geval met Turkije''. Daarop stopte Turkije de dialoog met de EU.

Sinds echter de christen-democraat Helmut Kohl zijn bondskanselierschap heeft moeten afstaan aan de socialist Schröder is het klimaat voorzichtig aan het veranderen, dus nog voor de aardbeving van vorige maand. Niet alleen gingen er steeds meer Duitse bezoekers naar Ankara, ook begon Schröder een briefwisseling met de Turkse premier Eçevit. Deze laatste schreef onder anderen voorstander te zijn van het vastleggen van een plan om Turkije in stappen aan de criteria van de EU te laten voldoen. Op zijn beurt deed Schröder in juni tijdens de Keulse top van Europese regeringsleiders een voorzichtige poging als EU-voorzitter om zijn collega's ertoe te bewegen Turkije als kandidaat-lid te erkennen. Hij stuitte echter op teveel weerstand, met name van de Scandinavische landen, die vreesden dat Turkije de Koerdische leider Öcalan ter dood zou brengen.

Tegelijk met de Duitse toenadering tot Ankara begon de Griekse minister van Buitenlandse Zaken, Papandreou, met een nieuw beleid van zijn land. Hij nam kontakt op met zijn Turkse collega Cem. Beiden zeiden bereid te zijn naar compromissen te willen zoeken voor hun geschillen.

Toen kwam de aardbeving in Turkije. De Griekse bevolking gaf hulp en toonde medeleven met de Turken. Het afgelopen weekeinde zei Papandreou dat de Griekse en Turkse regeringen niet anders meer staat te doen dan de wil tot toenadering van de bevolkingen van hun landen te respecteren.

Maar Papandreou is voorzichtig. Hij heeft wegens binnenlandse Griekse oppositie nog niet het Griekse veto ingetrokken tegen de betaling door de EU van een schadevergoeding van 375 miljoen euro aan Turkije als compensatie van gederfde inkomsten door de douane-unie tussen Turkije en de EU. Dat zou als politiek gebaar van substantiëler belang zijn dan de Griekse instemming met hulp voor humanitaire doelen en voor wederopbouw aan Turkije. En andere EU-lidstaten zoals Finland, Zweden en Denemarken hebben hun standpunt nog niet opgegeven dat Turkije eerst moet voldoen aan de mensenrechten-criteria van de EU. De Duitse minister Fischer zei dan ook het Turkse EU-lidmaatschap de komende tien à twintig jaar niet te verwachten.