`Niemand was jaloers, iedereen vond me gek'

,,Zelf dácht ik er niet over om in loondienst te gaan. Ik was op mijn tweeëntwintigste getrouwd, ik had vier kinderen en mijn man verdiende genoeg, hij was directeur van het Natuurkundig Laboratorium van Philips. Maar het belangrijkste was: ik hád leuk werk. Ik zat in de politiek, ik schreef, ik deed promotieonderzoek. Nee, niemand was daar jaloers op, iedereen vond me gek. De moeders van de vriendjes van school zeiden: je hebt een mooi huis, je hebt alles wat je wilt, wat maak je je druk? Ik heb al heel jong ervaren dat mannen zèggen: vrouwen moeten thuisblijven voor de kinderen, maar dat ze bedoelen: voor mij. Mijn moeder was een heel goede lerares, tijdens de mobilisatie viel ze in in Zwolle. Na de oorlog, in 1922, solliciteerde ze op een klein baantje op het gymnasium. Dat werd een geweldige herrie, de gemeenteraad gaf geen toestemming en toen is mijn moeder naar de minister van onderwijs gegaan. Die zei: mevrouw, hoe moet dat als uw kinderen uit school komen? Mijn moeder zei: excellentie, dan kom ik ook uit school. Ze kreeg alsnog toestemming. En wat gebeurt er? Een paar maanden later sterft mijn vader, mijn moeder solliciteert op een hele baan en opeens is dat geen enkel probleem, want nu is ze kostwinner. Ik was veertien. Ik dacht: dit is idioot, nu ze geen man meer heeft, mag het wel! Dat was het moment waarop ik feminist ben geworden.

Na de Tweede Wereldoorlog begonnen steeds meer meisjes steeds jonger te trouwen en toen ontstond er een tekort aan arbeidskrachten in de zogenaamde vrouwenberoepen. Ik publiceerde een stuk waarin ik uiteenzette dat er vier oplossingen waren: vervanging door machines, door mannen, door buitenlanders en door getrouwde vrouwen. Ik schreef: u ziet wel dat de laatste de beste is. Het leverde me woedende reacties op, vooral van vrouwen, en van de katholieke kerk. De kerk zag terecht een verband tussen vrouwen die blijven werken en het gebruik van voorbehoedsmiddele en dat moest hoe dan ook worden voorkomen. Voor de SER schreef ik vervolgens een rapport waarin ik beargumenteerde waarom de inzet van getrouwde vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderd moest worden en toen, dat herinner ik me heel goed, werd me een lelijke streek geleverd door professor Van der Grinten, die toen ook in de SER zat. Hij liet buiten mij om de vakcentrales een amendement ondertekenen waarin stond dat er niet alleen gekeken moest worden naar economische betekenis, maar ook naar huwelijksgeluk en het belang van de kinderen. Er moest een nieuw rapport komen. Ik ben toen ontzettend geholpen door het secretariaat van de commissie waar ik voorzitter van was. We brachten precies één verandering aan: bevorderen werd vervangen door belemmeringen wegnemen. Dat rapport werd aangenomen en het advies werd door de Tweede Kamer opgevolgd. Zo is het niet overal formele, maar wel algemeen geldende verbod op arbeid van getrouwde vrouwen verdwenen. Maar het echte verzet hadden we al in 1937 gehad, tegen het wetsontwerp van Romme. Die wilde een verbod op alle arbeid van getrouwde vrouwen. Er kwam een comité om dat te verhinderen en daar zat ik in namens de Vereniging van Vrouwelijke Academici. Ons verzet had succes: het wetsontwerp werd van tafel geveegd. Wat me achteraf het meest verbaast is dat niet één vrouw toen zei: weet je wat, als we na ons huwelijk niet meer mogen werken, dan trouwen we toch níet? Niemand was daar bang voor. We waren zo fatsoenlijk, ook bij de SDAP. Ongehuwd samenwonen, daar dácht je gewoon niet aan. De echte revolutie is natuurlijk pas later gekomen, door de pil en door de mechanisatie van het huishouden. Ik denk weleens dat niet één vorm van mechanisatie zo'n enorme invloed heeft gehad op de economie als de mechanisatie van het huishouden. Vroeger was het leuk om zelf kinderkleren te naaien, omdat het niet anders kon. Maar toen het niet meer nodig was, was er meteen niks meer aan. Wat zou je je best doen op een lekker toetje als je het kant en klaar kunt kopen bij de supermarkt?''