Kunst heeft niets aan retoriek

De voorzitter van het Nexus Instituut, drs. R.F.M. Lubbers, zette zich in zijn toespraak bij de opening van het theaterfestival onder meer af tegen de dreigende infantilisering van de kunst. H. Brandt Corstius vindt dat Lubbers zijn retorische uitroepen moet beargumenteren voor hij serieus genomen kan worden.

De heer Lubbers heeft twee handen. Dat komt meer voor. Maar prof.drs. R.F.M. Lubbers kan met zijn ene hand iets doen terwijl de andere het tegengestelde doet. Daarbij weet de linkerhand van Ruud Lubbers altijd wat de rechterhand doet.

Uit zijn glanzende politieke carrière herinneren we ons hoe zijn linkerhand zijn auto tegen een paaltje reed en zijn rechterhand door het autoforfait de val van zijn kabinet bezegelde. Terwijl de rechterhand van de minister van Economische Zaken een eind ging maken aan een belastingvoordeel bij investering, kocht de linkerhand snel een winkelcentrum om van dat voordeel te profiteren. In een uitgave van het ministerie van Financiën over belastingfraude werd die manoeuvre van Ruud, Rob en Romulus als schoolvoorbeeld genoemd. De rechterhand van de minister-president schudde de hand van de Koeweitse sjeik, terwijl de linkerhand hem een nota van het familiebedrijf toeschoof. De rechterhand van de CDA-leider wees een opvolger aan, maar de linkerhand schoot die man neer. De linkerhand reikte naar het voorzitterschap van de Europese Unie en de rechterhand naar dat van de NAVO. Toen dat allebei niet lukte, werd drs. Lubbers hoogleraar in Tilburg, waar zijn KVP-protégee Van Rooy de scepter zwaait.

Zaterdag bleek dat de rechterhand vol wetenschap niet genoeg was: in de linkerhand bleek ook nog cultuur schuil te gaan. Ik heb zijn toespraak met stijgende eerbied gelezen. Wat een eruditie! Wat een wijsheid! Wat heeft die man veel gelezen! Hij citeert zomaar een zin van Erich Kahler die in juni 1945 in Die Neue Rundschau heeft gestaan. Hij citeert Nietzsche, hij citeert Brodski, hij citeert Sellars, waar haalt hij het vandaan? Dat zal ik u zeggen. Bij Sellars noemt hij zijn bron: het tijdschrift Nexus, dat in Tilburg wordt uitgegeven door de stichting Nexus, waarvan Lubbers voorzitter van de adviesraad is. Ligt het laatste nummer van dat blad, dat mij om onduidelijke redenen wordt toegestuurd, niet nog ingepakt op de stapel nog-te-lezen?

Ik maak het nummer open en ik val direct in een stuk van Kahler. Mij is altijd geleerd dat je alleen moet citeren uit een boek dat je echt gelezen hebt en dat je bij tweedehands citeren eerlijk moet zeggen dat je herkauwt. Alle wijsheid, alle eruditie van Ruud Lubbers, komt uit dat ene blaadje. Hij is niet zozeer de adviseur van Nexus, als wel Nexus adviseert hém met indrukwekkende citaten. Nexus, ongetwijfeld genoemd naar het schandaalboek Nexus van Henry Miller (1960), is een rijke stichting met chique conferenties en een duur blad. Waar wordt dat van betaald? Dat is minder duidelijk dan hoe de subsidies uit Den Haag komen.

Zit u zich te ergeren, omdat ik, na eerst de politicus Lubbers in de herinnering gebracht te hebben, nu de cultuurfilosoof Lubbers belachelijk maak? Moet ik niet ingaan op wat hij in zijn toespraak beweert? U heeft volkomen gelijk. Ik zal dat gaan doen. Dat ik een inleiding nodig had, is omdat de culturele troonrede natuurlijk niet zomaar aan een Tilburgse professor werd toevertrouwd, maar aan een ex-premier. Lubbers had zelf ook een lange inleiding nodig voor hij tot de kern kwam van wat hij zeggen wilde. En wat is dat?

Lubbers merkt op dat we twee inhouden van het woord cultuur moeten onderscheiden: cultuur als levenswijze en cultuur als bezit van de muzen. Dat laatste krijgt de curieuze definitie: ,,Cultuur is de verzameling van waarden die het ideale menszijn bepalen'', en dat blijkt de klassieke kunst te zijn. Kunstenaars zonder ideaal mensbeeld kunnen vergeten worden.

Ik zou zeggen dat er inderdaad twee inhouden zijn van het woord cultuur, de klassieke cultuur die wij eerbiedig moeten bewaren en de cultuur zoals die op elke moment door mensen die zich kunstenaars noemen, wordt gemaakt en door anderen wordt genoten. Het gaat Lubbers duidelijk alleen om die eerste, oude, kunst die in musea, bibliotheken en concertgebouwen te genieten valt. Dat klopt voor een politicus die in zijn regeerperiode de mogelijkheden van levende kunstenaars steeds inperkte, hun opleidingen verarmde, hun subsidies terugbracht, hun vrijheid bedreigde, en zijn minister van cultuur in Texas liet zeggen dat cultuur een glijmiddel was ter bevordering van de handel.

,,De geschiedenis leert ons'', aldus sprak Lubbers in de schouwburg, ,,dat de kunst die onmiddellijke waardering weerstaat, de beste kans heeft om stand te houden en te blijven.'' Maar dat leert de geschiedenis ons in het geheel niet. Lubbers komt aanzetten met de in hun tijd niet gewaardeerde Beethoven, Joyce en Van Gogh. Maar er zijn daarnaast ook duizenden kunstenaars geweest die in hun tijd niet gewaardeerd werden en nu nog steeds niet. Ze zijn zo vergeten dat ik hun namen niet kan noemen. Werden Homerus en Shakespeare in hun tijd niet gewaardeerd? Dan zouden we nu hun teksten niet bezitten!

De ware slang komt aan het eind. Het is een driekoppige, met drievoudig venijn. De cultuurfilosoof oreerde: ,,Vraag aan de kunst niet om jong te zijn, niet om ondernemend te zijn, niet om multicultureel te zijn.''

De naam van de huidige kunst-excellentie Van der Ploeg wordt niet genoemd, maar het is duidelijk dat de hele tirade van erudiete citaten en wijze opmerkingen slechts tot doel had de drie aanbevelingen van de staatssecretaris in zijn Kunstennota te bestrijden. Lubbers' inleiding met de Bermuda-driehoek van geld, politiek en media doet niet terzake, want de Nederlandse rijkskunstsubsidies onttrekken zich daar nu juist aan.

Van der Ploeg wil dat de jeugd meer aandacht krijgt van de subsidiegevers. Lubbers noemt dit toegeven aan de toenemende infantilisering. De jeugd is er, volgens de man die de jeugdwerkkampen uitvond, slechts om onderwezen te worden in de kunsten uit vorige eeuwen. Van der Ploeg wil dat de zalen voller komen te zitten. De multimiljonair Lubbers zegt: het gaat niet om geld verdienen. Van der Ploeg wil dat ook de burgers die uit het buitenland kwamen, van de kunstsubsidies kunnen genieten. Lubbers zegt: nee, we moeten ,,onze eigen geschiedenis, onze eigen religie, onze eigen cultuur kennen''.

Hier glijdt Lubbers uit, over dat ene woordje onze. Wie in Nederland onze zegt kan niet slechts doelen op de afstammelingen van Michiel de Ruyter en Betje Wolff. Is het voor ons van geen belang de geschiedenis te kennen van de Afrikanen die via Zuid-Amerika naar ons kwamen? De religie van mensen uit Turkije en Marokko? De cultuur van Abdolah en Benali, van Lulu Wang en Isegawa, van Arion en Cairo? En van al die andere exotische namen die in oer-Nederlandse oren even vreemd klinken als Erich Kahler en Josif Brodski klonken in Amerika, en als Spinoza en Querido eens in Amsterdam klonken.

De voorstellen van de staatssecretaris waren geen oekazes, maar beargumenteerde suggesties. Ze werden ter discussie voorgelegd, en die discussie heeft de afgelopen maanden hevig plaatsgevonden. Lubbers noemt de naam Van der Ploeg niet, geeft geen enkel citaat uit zijn ideeën, maar roept eenvoudig drie keer het tegengestelde van wat zijn collega-economieprofessor zegt.

Misschien heeft Lubbers hier of daar gelijk, maar uit zijn rede is dat niet op te maken. Natuurlijk moet cultuur onderwezen worden - heeft ooit iemand het tegendeel beweerd? Natuurlijk gaat het niet om kwantiteit maar om kwaliteit. Het tegendeel heeft hoogstens een cultuurminister onder Lubbers beweerd. Natuurlijk moeten immigranten de Hollandse taal en cultuur leren. Dat gebeurt al jaren. De laatste politicus die met zo'n tendentieuze opmerking aanhang hoopte te verwerven is naar Brussel uitgevoerd. Men fluistert dat Ruud Lubbers aan een politieke wedergeboorte werkt. In de Volkskrant schreef hij tegen euthanasie. In Elsevier tegen de Betuwelijn. In Trouw en De Telegraaf zullen stukken tegen abortus en immigratie volgen. Wij lezers van NRC Handelsblad worden in slaap gewiegd met mooie praatjes over Hoge Klassieke Kunst.

Ik had mijn aarzelingen over de nieuwe geluiden van Van der Ploeg. Tot ik merkte dat het maar om een ombuiging van zeven procent ging. En tot ik zaterdag op deze pagina las dat prof.drs. Lubbers het er faliekant mee oneens is. Hij zal zijn retorische uitroepen moeten argumenteren voor hij serieus genomen kan worden.

H. Brandt Corstius is hoogleraar bij de vakgroep Nederlands aan de Sorbonne (Paris IV).