Kamer geen eigen meester

De agenda van het parlement wordt gedomineerd door de bureaucratie, zegt ex-Kamerlid Hans Jeekel (D66). Deel 4 in een serie vraaggesprekken.

In zijn boekje Duizend dagen Kamervragen schrijft Hans Jeekel over een muis die met twee olifanten een brug over loopt en zegt: ,,Wat stampen we lekker samen.'' De muis is het Tweede-Kamerlid, de twee olifanten zijn de bureaucratie en de media. Volgens Jeekel, van 1995 tot 1998 Kamerlid voor D66, wordt de agenda van het parlement op de langere termijn bepaald door de bureaucratie en voor de korte termijn door de media.

Hij heeft het zelfs becijferd aan de hand van de Kameragenda in 1997. De ambtenarij droeg volgens zijn berekening ongeveer tweederde van de onderwerpen aan, berichtgeving op televisie en in kranten ongeveer eenderde. Slechts in zeer beperkte mate zetten Kamerleden zelf een onderwerp op de agenda.

De dominantie van de media verklaart Jeekel uit de teloorgang van politieke partijen. ,,Niemand komt meer naar rokerige zaaltjes om politici te horen spreken. Partijen beoordelen hun Kamerleden daarom uitsluitend op hun aanwezigheid in de media. Beeldvorming is het belangrijkste begrip geworden in de politiek aan het einde van de eeuw.''

Jeekel, die vorig jaar door zijn partij weliswaar wat hoger op de kieslijst werd geplaatst maar niet hoog genoeg voor een zetel, is inmiddels weer terug in de rijksdienst. Daar kwam hij ook vandaan. Vóór zijn periode in de Tweede Kamer werkte hij bij het ministerie van Landbouw. Hij heeft het politieke proces dus van beide kanten meegemaakt, als politicus en als ambtenaar.

Jeekel stelt dat de ambtenaren alleen al door hun aantal de agenda van de Kamer kunnen domineren. Hij wijst erop dat er nu eenmaal een veelvoud aan `slimme en zelfdenkende bureaucraten' in Den Haag zijn in vergelijking met Kamerleden. Die moeten zich meestal met één medewerker behelpen. De dominantie van de bureaucratie op de agenda heeft tot gevolg dat het parlement maatschappelijke kwesties vrijwel uitsluitend in bestuurlijk-technocratisch jargon bespreekt.

Jeekel: ,,Als je een lijst zou maken van de grote maatschappelijke problemen in het land en daarnaast leg je de dagelijkse agenda van de Tweede Kamer, dan komt dat maar in heel beperkte mate overeen.'' Hij ondervond dat aan den lijve toen hij, als parlementariër met volkshuisvesting in zijn portefeuille, geconfronteerd werd met boze huurders die demonstreerden tegen huurverhoging. ,,Het was bijna niet uit te leggen wat we in de Kamer aan het doen waren. De emoties van burgers raken zoek in allerlei bureaucratische rituelen.''

De bureaucratische overheersing heeft ook tot gevolg dat sommige onderwerpen helemaal niet op de agenda van de Tweede Kamer komen, zelfs niet in ambtelijke vertaling. ,,Neem de doorzichtigheid van de overheid. De gemiddelde burger heeft echt geen flauw idee meer hoe de overheid werkt. Dat is typisch een onderwerp dat door bureaucraten zelf nooit op de agenda zal worden gezet. Daar ligt dus een taak van de politiek.''

Aan de andere kant zijn Kamerleden volgens hem onvoldoende `bureaucratisch-competent'. Ze spreken wel de taal van de ambtenarij, maar begrijpen niet echt waar het om gaat. Jeekel: ,,De retoriek is het vaak nét niet, zoals een Potemkin-dorp in het oude Rusland. In lastige debatten wordt de essentie vaak niet gepakt.''

Hij pleit voor nauwere contacten tussen parlementariërs en ambtenaren. Zelf belde hij als Kamerlid regelmatig met ambtenaren, als hij vragen had over bepaalde beleidsonderdelen. ,,Ik pakte gewoon de staatsalmanak en belde de betreffende functionaris op. Dat levert veel meer op dan het stellen van officiële Kamervragen.'' Formeel mogen ambtenaren geen contact hebben met Kamerleden. Daar heeft premier Kok onlangs weer eens uitdrukkelijk op gewezen in een richtlijn. Dat is volledig uit de tijd en onpraktisch, meent Jeekel. ,,Kamerleden en ambtenaren komen elkaar voortdurend tegen. Mogen die mensen dan niet met elkaar praten?''

Een vergroting van de `bureaucratische competentie' van Kamerleden zou bovendien de verhoudingen tussen beleidsambtenaren en de Tweede Kamer kunnen verbeteren. ,,Als je nu na een overleg met het parlement aan een ambtenaar vraagt hoe het ging, is het antwoord vaak: `Er zijn gelukkig geen grote ongelukken gebeurd'. Met zoveel wantrouwen kijken ambtenaren dus naar de Kamerleden.'' Volgens Jeekel hebben de meeste van zijn ex-collega's niet veel belangstelling voor de werking van de bureaucratie.

De Kamer zou haar positie kunnen versterken, als het parlement zich al in eerdere fasen met de ontwikkeling van beleid zou bemoeien, aldus Jeekel. De Kamer komt nu meestal pas helemaal aan het einde van het traject aan het woord. Dan is het niet eenvoudig meer om nog grote veranderingen door te voeren. Dat komt ook doordat ambtenaren dankzij `interactieve beleidsvorming' vaak in een eerder stadium al uitgebreid hebben gesproken met de betrokken burgers en organisaties. ,,Iedereen die al een keer is langs geweest bij de ambtenaren, komt vervolgens nog eens bij de Kamerleden langs. Dat is weinig effectief.'' Daarnaast zouden Kamerleden van de coalitiefracties minder bang moeten zijn om zelf onderwerpen op de agenda te zetten, meent hij. ,,Nu gebeurt dat alleen als de regering ergens echt niet uit komt. Zelf een probleem op de agenda zetten, wordt steevast uitgelegd als forse kritiek op de regering.'' Soms lukt het een Kamerlid nog wel een onderwerp naar zijn hand te zetten, ondanks het gestamp van de olifanten. Dat soort parlementariërs noemt Jeekel `kunstenaars-politici'. Ze weten hoe ze de agenda van de bureaucratie kunnen bepalen én hoe ze de media moeten bespelen. ,,Adri Duivesteijn van de PvdA heeft dat vermogen, Boris Dittrich van D66 misschien ook wel. Maar het gros lukt het niet.''

(De delen 1,2 en 3 in deze serie verschenen op 27 en 31 augustus en 4 september.)