Conflicten over kwaliteit muziek bij Gaudeamus

Bij de gisteren in Amsterdam begonnen Internationale Gaudeamus Muziekweek, een concours voor jonge componisten, zijn enkele door de jury toegelaten stukken getroffen door een veto van de uitvoerenden. Zo wees Peter Eötvös, de dirigent van het Radio Kamerorkest, orkestwerken van Damien Ricketson en Nara Shin als te ondermaats van de hand. Het is een handelwijze die traditie dreigt te worden. De Australiër Ricketson valt niettemin toch te beluisteren: een kamermuziekstuk voor basfluit en elektronisch versterkt strijkkwartet stuit bij andere musici niet op bezwaren. De jury, Ron Ford, Martijn Padding, Michel Redolfi en Michael Smetanin, selecteerde liefst een derde van de zeventig inzendingen voor uitvoering, wat een uitzonderlijk gevulde Muziekweek oplevert.

Het Canadese Esprit Ensemble, dat zijn naam met ere draagt, beet maandagavond in De IJsbreker het spits af. Vreemd: de Canadees Chris Paul Harman componeerde Balkan-maten in allerlei combinaties van vijf, zes en zeven achtsten die ik eerder had verwacht bij de in Belgrado geboren Ana Sokolovic. Haar Géometrie sentimentale is mij zeer bevallen. Uitgangspunten zijn de ruigheid van de driehoek, de gratie van de cirkel en de onbuigzaamheid van het vierkant. Vooral de lion roar weet zij effectief te laten brullen. In het centrum meende ik het nerveuze gezoem van een bromvlieg te horen die de uitgang niet kon vinden.

In In una Cicala innamorata van Christina Viola Oorebeek is het ritmische materiaal letterlijk een transciptie van insectenklanken. Dit arcadisch klankbeeld van het Japanse Akiyoshidai met de god Pan jagend achter de nymfen, biedt een wat lang uitgevallen maar op zichzelf boeiende Westerse blik op het Oosten.

's Avonds in Felix Meritis, bij het zeer geïnspireerde Nieuw Ensemble met Ernest Rombout als formidale hobosolist, waren ook composities van drie kanshebbers te horen. Allereerst presenteerde zich de Italiaan Mauro Mantalbetti, die het zocht in een temperamentvolle Studie in de tegenstelling van kale, dode klanken tegenover een soort getrippel van ratten. Dankbare, maar mij te filmisch uitgevallen muziek. Ook in Le départ van de Japanner Jummei Suzuki was er weer dat scherp en spits staccato, maar nu ontbrak een wezenlijk contrast. Er zijn zeven korte secties waarvan het deeltje in strikte `minimal' opzet mij het meest beviel.

Dan was er de bij Gaudeamus niet geheel onbekende Engelse componiste Joanni Baili in een Waning voor kamerensemble met hobosolo. Nu luisterde je niet naar een al dan niet gelukte vorm, maar naar een logisch muziekstuk, want Baili weet hoe je één grote spanningsboog kunt opbouwen die in haar geval steeds hoger en valer wordt uitgerekt. Ugly and brutal noteert zij in het centrum met ruige accenten en jankende uithalen, ruistonen in de blazers, hoge clusters in de piano, buzz-effecten in de harp. Hobo en basklarinet, viool en altviool dragen begin en eind. Niets wil je missen van dit opwindende, vreselijk wrede maar ook schitterende schouwspel.

Internationale Gaudeamus Muziekweek 1999. (T/m zondag op meerdere lokaties in Amsterdam.) Gehoord 6/9 De IJsbreker en Felix Meritis.