Verschil hogeschool en universiteit steeds vager

Blijft het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten bestaan? Die vraag houdt bij de opening van het academisch jaar de gemoederen bezig.

In Nijmegen hebben ze de primeur. De Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) opende vandaag het academische jaar sámen met de hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). De KUN en de HAN gaan intensief samenwerken op het gebied van onderwijs, studentenvoorzieningen, personeelsbeleid, dienstverlening en huisvesting. Ze staan niet alleen: verschillende universiteiten en hogescholen besloten het afgelopen jaar eveneens tot samenwerking over te gaan.

Bij de opening in Nijmegen stond de vraag centraal of hogescholen en universiteiten nog een eigen missie hebben of dat ze steeds dichter naar elkaar toegroeien, waardoor het onderscheid verdwijnt. De Nijmeegse rector magnificus T. van Els vindt dat er wel degelijk een onderscheid is en dat beide opleidingstypen naast elkaar moeten blijven bestaan. Volgens hem ,,zal de maatschappij om een diversiteit aan hoger opgeleiden blijven vragen, waarbij ook het aspect van academisch denk- en werkniveau een belangrijke rol speelt.''

Volgens gastspreker F. Leijnse, voorzitter van de HBO-raad, is de brede academische vorming door studieduurverkorting en druk vanuit de arbeidsmarkt al voor een groot deel verdwenen. De opleidingen op universiteiten en hogescholen zijn de afgelopen jaren naar elkaar toegegroeid. Bovendien is er geen sprake van een ,,interne homogeniteit'' van universiteiten dan wel hogescholen, stelt Leijnse. Zo bieden ook de universiteiten beroepsgerichte studies aan, zoals de doctoraalstudie wetenschappelijk illustreren aan de Universiteit Maastricht. Leijnse: ,,Daar komt geen Plato of Popper aan te pas.'' Anderzijds gaan hogescholen zich steeds vaker toeleggen op onderzoek.

Leijnse vindt daarom dat het ,,fictieve verschil'' tussen hogescholen en universiteiten beter opgeheven kan worden. Hij pleit voor een ,,geïntegreerd stelsel van hoger onderwijs en onderzoek''. Niet om de verschillen uit te vlakken, maar omdat in een dergelijk stelsel relevante verschillen tussen opleidingen en activiteiten van hogescholen en universiteiten juist beter tot hun recht kunnen komen.

Samenwerking tussen universiteiten en hogescholen is mogelijk, maar een bestuurlijke fusie volgens de wet niet. Minister Hermans (Onderwijs), gastspreker aan de Technische Universiteit Eindhoven, kondigde aan dat hij een dergelijke vorm van samenwerking in de toekomst mogelijk wil maken, op voorwaarde dat er niet getornd wordt aan het niveau en de kwaliteit van het universitair onderwijs.

In het verlengde van de samenwerkingsperikelen ligt de discussie over de invoering van het bachelors/master-gradenstelsel op zowel hogescholen als universiteiten. Van Els (Nijmegen) plaatste kanttekeningen bij de uitvoering van de zogenoemde Bologna-verklaring die minister Hermans deze zomer evenals de andere Europese onderwijsministers ondertekende. Daarin werd vastgelegd dat het Nederlandse hoger onderwijs binnen tien jaar geënt moet zijn op het Angelsaksische gradensysteem. Dat betekent dat studenten na drie à vier jaar studie een bachelorsdiploma halen en na nog eens een à twee jaar een master of doctor-graad kunnen behalen. Een doctoraal diploma van universiteiten staat gelijk aan de mastergraad, terwijl een afsluitend HBO-diploma de bachelorsgraad oplevert.

Van Els heeft geen principiële bezwaren tegen invoering van het Angelsaksische systeem maar wijst erop dat het onderwijs op de universiteit dan ingrijpend moet worden gewijzigd. Studenten moeten daar na drie jaar een bachelorsexamen afleggen. Bovendien, zegt Van Els, krijgen we dan twee soorten bachelors: de beroepsgerichte HBO-bachelor en de universitaire bachelor.

Rector magnificus F. van Vught aan de Universiteit Twente waarschuwde voor de wildgroei van een ander soort `masters': opleidingen die met name hogescholen in toenemende mate gaan aanbieden aan afgestudeerden. Wie een dergelijke cursus afrondt kijgt een mastertitel, net als een academicus dus. Door de gebrekkige kwaliteitseisen die aan die opleidingen worden gesteld, loopt volgens Van Vught de herkenbaarheid van het universitaire niveau gevaar. Hij pleitte er daarom voor dat minister Hermans de ontstane wildgroei aan masteropleidingen zal indammen.