Soldaat met een hockeystick

Met geen stok is Jacques Brinkman van het hockeyveld te slaan. Al zou je hem dreigen voor altijd de hockeystick uit handen te nemen, de rest van zijn leven de lippen op elkaar te lijmen of zelfs de dood in te jagen. Hij zou onverstoorbaar doorgaan met een stok in zijn handen achter een bal aan te rennen in de hoop hem weer eens vol te raken. Maar stel hem aan als coach van een vrouwenteam en hij neemt in tranen zijn vrouw en kinderen in zijn armen en zegt dat hij nooit meer iets met hockey te maken wil hebben.

Niet dat Jacques iets tegen vrouwen heeft die graag met een stok tegen een bal slaan of zowaar op mannelijke wijze de strijd met elkaar durven aan te gaan. Maar wat Jacques in het strijdperk van mannen verwacht, zal hij nooit van vrouwen verwachten. Leuk hoor, maar wie aan sport doet gooit de beuk er in, die sport niet voor zijn (of haar) plezier, die vecht als een soldaat in oorlog, die gaat over lijken. Wie sport wil beleven, moet winnen. Jacques kan zich niet voorstellen dat vrouwen zo ver willen gaan. Van vrouwen verwacht hij dat ze zacht zijn, niet misdadig. Liefde, nooit haat, alleen gespeelde haat.

Al die hockeymeiden die het liever met elkaar doen dan met een man. Dat is vast niet zoals God het heeft gewild, heeft hij in zijn christelijke opvoeding geleerd. Jalousie d'amour en promiscuité schijnen binnen een damesteam om een hoekje te kijken en kunnen het effect van een landmijn op de teamgeest hebben. Zo zal Jacques het nooit verwoorden, al brandt deze terminologie op zijn tong. Toen hem eens in zijn spontaniteit aan verslaggevers iets van deze strekking was ontvallen, haastte hij zich na publicatie naar de dames van het nationale team om nuancering aan te brengen. Hij zei iets over conservatieve opvoeding en kortzichtheid. Nou, ja.

De meiden vonden het maar niks. Zo'n man is toch het prototype van de man. Gespeelde empathie, waarschijnlijk, dachten ze. Ach, Jacques, de arme ziel, had dat natuurlijk nooit moeten doen. Want gezegd is gezegd, waarheid is waarheid. Maar het tekent het zachte karakter dat de hockeyer die het meest van alle hockeyers in het Nederlands elftal heeft gespeeld, doorgaans buiten het strijdperk doet gelden. Al 313 maal rende Brinkman in het oranje-shirt over de hockeyvelden. Op zoek naar een manier om Hem te behagen. Nou Jacques, het is genoeg, zeg ik dan maar. Het komt best in orde, je komt echt wel in de hemel.

Zonder het te beseffen is hij het geweten van Nederland hockeyland geworden. Emoties mogen. Boos zijn, verdrietig zijn, spontaan zijn en veel aan introspectie doen. Dat is zijn kracht. Als speler-coach van Amsterdam werd hij geconfronteerd met jongens van het soort dat niemand in de familie wenst. Walgelijke, zelfingenomen en brallende kwallen die niets van sport begrijpen en nog niets hebben klaargespeeld – hockeytypes die eerder in de vuilbak thuishoren dan in een dispuut met Brinkman. Ach gut, ze studeerden? Wat goed! Alsof dat iets met sport te maken heeft. Jacques verloor het van die jongetjes. Hij werd ontheven als coach. Je wenst een club een verstandiger bestuur.

De loopbaan van Brinkman is vergeven van conflicten. Wanneer het hem niet aanstond, trok hij zijn mond open. Heerlijk toch. Hij is een hockeyer waarvan menigeen denkt: Hoe lang nog? Maar daar mag geen twijfel over zijn. Jacques moet nog jaren meedoen, hij moet nog lang over het hele veld rennen wanneer hij heeft gescoord. Laat hem maar rennen en lullen. Jacques Brinkman heeft van hockey een sport van alle mensen gemaakt.