Schuifelen

Ik heb een symposium bezocht. Waarom in hemelsnaam, vraagt u, net als mijn vrienden die het me ontraden, zelfs als zij er zelf spreken. Wat is de aardigheid van in een zaal te zitten luisteren naar saaie vertogen, naar je koffie te moeten schuifelen, uit verveling te veel broodjes te eten bij de lunch? Inderdaad. Maar ik heb dat alles doorstaan om u, lezer, van de inhoud te kunnen berichten. Want u was natuurlijk ook wel wijzer dan zelf te gaan.

Het onderwerp was de negentiende eeuw, mijn geliefde oubollige eeuw, en wat in die tijd gebouwd is. De vraag was of, en hoe, we nu al die bouwsels moeten bewaren. Onhandig grote woonhuizen, verouderde bankgebouwen, leeggelopen kerken. Uitgewoonde gevaarten in stijlen die meestal neo heten: neogotisch, neorenaissance, neorococo... Alleen al dat verraderlijke neo geeft ze iets twijfelachtigs, iets tweedehands. En nu, nu de volgende eeuw al bijna om is, zitten we met wat daarvan nog over is.

Dat is minder dan het had kunnen zijn, want ze hebben als bezetenen gebouwd in de negentiende eeuw, meer dan ooit tevoren. Maar onze ouders en grootouders hebben al flink opruiming gehouden onder al die oude troep die in hun o, zo moderne ogen geen gezicht meer was. Pas de laatste jaren is de eensgezindheid bij het afbreken van de vorige eeuw, letterlijk en figuurlijk, wat verminderd. De clichés van het modernisme zijn zelf versleten geraakt. Net als de modernistische gebouwen trouwens, die lang niet zo duurzaam bleken als het veelbeschimpte neo-werk.

Kunsthistorici staan net als gewone mensen bloot aan de wisseling der tijden, en sommigen zeggen nu heel verfrissende, zelfs aardige dingen over de negentiende eeuw. Zo was er op het symposium iemand die uitlegde hoe vernieuwend er feitelijk werd gebouwd achter gevels die latere generaties smalend verwierpen. Een Belgische onderzoekster had het over de geprefabriceerde hekken, balkonspijlen en andere versieringen die tegen 1900 uit catalogi te koop waren. Zij liet zien dat hun invloed op de architectuur lang zo funest niet was als arrogante modernisten wel beweren. Een architectuurhistoricus verzocht om meer begrip voor de neorenaissance; hij voerde aan dat, destijds, de nieuw-ouderwetse huizen in die stijl het aanzicht van Amsterdam veel goed hebben gedaan.

Een vrolijke noot kwam van een mevrouw die sprak over Brugge. Zij zette uiteen hoe die dromerige parel van West-Vlaanderen haar middeleeuwse gezicht goeddeels aan de negentiende eeuw te danken heeft. Het verhaal is niet nieuw, maar zij bracht het met zo veel vuur en details, dat we aan haar lippen hingen. Reeds in 1840, vertelde zij, was het beeld van Brugge `af'. De toeristen van toen, aangelokt door de werken van Van Eyck en Memlinc, werden op hun wenken bediend door prille monumentenzorgers. Muren werden ontpleisterd om er weer middeleeuws uit te zien, gevels gerestaureerd. En toen in 1875 een katholiek stadsbestuur aantrad was, aldus de spreekster (Lori Van Biervliet), Brugges lot bezegeld. Bruges la Morte werd een openluchtmuseum.

Dat laatste was, zoals altijd, als scheldwoord bedoeld. Het was verkeerd dat `de Bruggelingen' hun stad wilden houden zoals zij was. Hun (neo)gotische droom, waarin modern bouwen taboe was, was niet minder dan een massapsychose. Die is trouwens lang gebleven. Pas nu Brugge in 2002 culturele hoofdstad van Europa is, wordt in allerijl een modern concertgebouw opgetrokken, om toch iets hedendaags te kunnen tonen. De spreekster vond dat duidelijk hoog tijd.

Haar vertoog gaf te denken. Is het erg, als een stad die onvergetelijk mooi is er ouderwets uit blijft zien? Waarom precies is het beter om ook dingen van glas en beton neer te zetten? Hoeveel? En als een stad per se iets hedendaags moet hebben, hoe is het dan met een straat? Een huis? En als ik nou per ongeluk een kamer heb die er nog net zo uitziet als in 1952, moet ik mij dan schamen?

Voor een debat was geen tijd. Zo gaat dat op een symposium: we lagen achter op schema, er moest weer geschuifeld worden. Maar we zullen het er vast nog eens over hebben.