Luceberts verontwaardiging

Zonder commentaar maakt Literatuur in de rubriek `Literair nieuws' melding van de aanstaande verkiezing van een dichter en een gedicht des vaderlands. Jammer, ik zou wel eens willen weten wat de vakneerlandici die dit tijdschrift bestieren hiervan vinden. Misschien geeft het blad een impliciet stemadvies. Het opent namelijk met een lezenswaardig artikel over Luceberts hartverscheurende gedicht Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia.

Lucebert schreef dit vlammende, maar tegelijk zo ontroerende protest tegen de Nederlandse wandaden in Indonesië op zondag 19 december 1948, de dag dat Nederland zijn tweede politionele actie tegen de Indonesische nationalisten was begonnen. Volgens Peter Hofman, de auteur van het artikel en van een binnenkort te verschijnen studie over Luceberts leven in de jaren 1945-1949, was niet eerder een politieke stellingname op deze wijze verwoord. Hier was een dichter aan het woord die op superieure wijze een nieuwe poëtische taal hanteerde.

Luceberts verontwaardiging over het geweld tegen Indonesië werd niet alleen gevoed door zijn omgang met Gerrit Kouwenaar (toen kunstcriticus van het communistische dagblad De Waarheid), maar had ook een persoonlijke achtergrond. Al in januari 1946, toen een van zijn beste vrienden enthousiast bleek te zijn over zijn uitzending als militair naar Nederlands-Indië, schreef hij aan een vriendin dat hij zich erg kwaad maakte over wat de Nederlanders in de kolonie aanrichtten. `(...) ik zou toch zoo graag willen dat de jeugd, ònze jeugd, niet meer achter het zootje volkszwendelaars aanliep, zich niet meer het hoofd op hol liet maken met allerlei gezwollen praatjes over vaderlandsliefde en soldateneer.'

Volgens Hofman klinkt in de laatste strofe van het gedicht (`ik ben de bruidegom zoete boeroeboedoer/ hoeveel wreekt de bruidegom de bruid?/ als op java plassen bloed zij stuiptrekt/ uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en uitzuigen?') de echo na van het slot van Multatuli's Max Havelaar. Maar over het effect van zijn aanklacht maakte Lucebert zich minder illusies dan Douwes Dekker. In 1992 merkte hij in een interview op: ,,Anderhalve man en een paardekop leest poëzie. Wat stelt dat nou voor? Het is het mooiste wat er is, natuurlijk, maar ondertussen impliceert het maatschappelijk niet zoveel. Mijn Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia heeft die politionele expeditie in elk geval niet doen stoppen.'' Dat is waar, Indië is niet door Lucebert `bevrijd', maar – zegt Hofman terecht – Luceberts poëzie is vanaf zijn debuut wel door veel mensen als `bevrijdend' ervaren.

Ik had iets van Gorter in mijn hoofd voor de verkiezing van het mooiste gedicht, maar na herlezing van de Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia begin ik te aarzelen. Overigens staan er rare fouten in Hofmans stuk (boeroeboer in plaats van boeroeboedoer en als datering de nacht van 18 op 19 september in plaats van december 1948).

Curieus, leerzaam maar onvolledig is in hetzelfde nummer van Literatuur een artikel van Leo Ross over het PEN-congres van 1933 in Dubrownik, waar de Nederlandse delegatie, onder leiding van ene Westerman, zich schandelijk heeft gedragen. Men weigerde zich uit te spreken tegen Hitler, de jodenvervolving en de boekverbrandingen. Toen de in ballingschap verblijvende Duitse schrijver Ernst Toller het woord nam om te protesteren tegen het nazi-regime verliet Westerman de zaal, roepende: `Het lijkt hier wel een communistische propagandavergadering'.

Ross heeft zijn artikel opgehangen aan een ander lid van de Nederlandse delegatie, de inmiddels vergeten, maar toen razend populaire schrijfster Jo van Ammers-Küller (auteur van o.a. De opstandigen, Vrouwenkruistocht en Tantalus). Ook zij protesteerde tegen het anti-nazistische optreden van Toller en viel zelfs van woede flauw. Waarom Jo van Ammers-Küller solidair was met de `afgevaardigden van de heer Hitler' zoals Nico van Suchtelen dat in de NRC noemde, verklaarde Den Doolaard indertijd uit het feit dat haar werk veel succes had in Duitsland. Maar haar liefde voor nazi-Duitsland ging veel dieper en dat vergeet Ross te vermelden.

Tijdens de bezetting was deze schrijfster zo fout als maar kon, ze liet zich fêteren door de nazi's en na de oorlog werd haar om die reden een publicatieverbod opgelegd. Daar trok ze zich overigens niets van aan. Ze week uit naar Curaçao, waar zij onder het pseudoniem Adriaan Hulshoff de onverbloemd racistische roman Dorstig Paradijs (1949) schreef.

Over `goed en fout' gesproken: in zijn doorgaans boeiende rubriek `Grensverkeer' behandelt Marcel Janssens, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Leuven, deze keer de verschuivende opvattingen over plagiaat. Vlamingen tillen minder zwaar aan deze vorm van oplichterij dan Nederlanders. `Ach, wij sjoemelen toch allemaal in België, de een met wat meer miljoenen dan de ander. Waarom zouden we de stem verheffen voor een ontleninkje meer of minder in De Metsiers?'

Literatuur. Tijdschrift over Nederlandse letterkunde, jaargang 16, 1999-4. Uitg. Amsterdam University Press. Prijs ƒ15,-