Hof Israel verbiedt Shin-Bet te martelen

Het Hooggerechtshof in Jeruzalem heeft vanmorgen in een historische beslissing het martelen van gevangenen door de Shin-Bet, de binnenlandse veiligheidsdienst, onwettig en in strijd met het karakter van de Israelische democratie verklaard.

Eenstemmig spraken de negen rechters zich uit tegen de aanbevelingen van de commissie Landau die in 1987 het uitoefenen van ,,gematigde fysieke druk'' door de Shin-Bet op doorgaans Palestijnse gevangenen had goedgekeurd. Zeven mensenrechtenorganisaties hadden het Hooggerechtshof om een principiële uitspraak tegen martelpraktijken van de Shin-Bet gevraagd. Zij hebben een lange juridische strijd gevoerd tegen het martelen van gevangenen. Slechts in enkele gevallen stak het Hooggerechtshof tot vanmorgen daar een stokje voor.

In zijn besluit zegt het hof dat de Shin-Bet niet het recht heeft iemand door elkaar te schudden, slaap te onthouden of in een pijnlijke positie te dwingen. Aharon Barak, de president van het hof, die de uitspraak formuleerde, zei dat de beslissing gezien de Israelische werkelijkheid moeilijk is. ,,Maar dat is het lot van de democratie waarvoor niet alle middelen wettig zijn en die niet de methoden van haar vijanden kan overnemen.'' Het hof heeft de Knesset, het parlement, opgedragen om de bevoegdheden van de Shin-Bet wettelijk te regelen, dat wil zeggen aan scherpe parlementaire controle te onderwerpen.

De minister van Justitie, Jossi Beilin, begroette vanmorgen de uitspraak van het Hooggerechtshof als een ere-saluut aan de Israelische democratie. Volgens hem geeft de bestaande wetgeving de Shin-Bet voldoende armslag om in bijzondere gevallen zijn werk goed te doen. Aan a-priori goedkeuring van martelen is volgens hem echter door de uitspraak van vanmorgen een einde gekomen. Onderminister van Defensie Efraim Sneh zei vanmorgen dat de uitspraak Israels veiligheid kan ondermijnen. ,,Beperking van de bevoegdheden van de Shin-Bet helpt niet bij het beveiligen van de burgers van Israel'', zei hij.

Volgens B'Tselem, de belangrijkste Israelische mensenrechtenorganisatie, ondervraagt de Shin-Bet jaarlijks tussen de 1.000 en 1.500 Palestijnen. Ten minste 850 van deze gevangenen worden gemarteld. De Shin-Bet gebruikt volgens B'Tselem ook martelmethodes om van Palestijnse arrestanten collaborateurs te maken. Na ondervraging worden volgens deze organisatie de meeste gearresteerde Palestijnen vrij gelaten. Palestijnen die `tikkende bommen' worden genoemd – informatie zouden hebben over ophanden zijnde aanslagen – worden volgens B'Tselem op weekdagen gemarteld. In het weekeinde, als de ondervragers vrij hebben, wordt de ondervraging onderbroken alsof zij plotseling geen tikkende bommen meer zijn. Op zondag, de eerste werkdag in Israel, begint alles weer.