De zegen van de kleine zalen

De Universiteit Maastricht is de snelstgroeiende universiteit van Nederland. In minder dan vijftien jaar is het aantal studenten verdrievoudigd.

Maar terwijl de concurrentie haar imiteert, zwelt in Maastricht de kritiek aan op het rigide onderwijssysteem. Rector Kruseman: ,,Dat is de wet van de remmende voorsprong.''

Ze moeten nog wel wennen aan het Limburgse dialect. Wat bedoelen ze in godsnaam als ze in de winkel vragen of je er een `tuutsje' bij wilt?, vroegen de kersverse eerstejaars zich af tijdens de introductieweek van de Universiteit Maastricht. Maar verder bevalt het prima. Onder leiding van een mentor hebben ze Maastricht verkend en ze vinden het wel een toffe stad. ,,Veel gezellige kroegen'', zegt eerstejaars Harry Klijn (18).

Duizenden aankomende studenten in heel Nederland maakten de afgelopen weken kennis met een nieuwe stad, universiteit en medestudenten. Vandaag openen de meeste universiteiten - twee deden dat al vorige week - officieel het academisch jaar. Maastricht werd met het nieuwe studiejaar in één klap weer ruim 3.000 studenten rijker. Voor een kleine stad met 120.000 inwoners is dat een behoorlijk aantal, maar de Maastrichtenaren zijn het gewend. Al jaren krijgt hun stad half augustus een invasie van jongeren te verwerken.

De Universiteit Maastricht (UM) is al een paar jaar erg populair bij studenten, en niet alleen omdat je in Maastricht plezierig kunt stappen. Vooral het kleinschalige onderwijs slaat aan. Dat blijkt uit de cijfers: in 1985 telde de instelling 3.000 studenten, vorig jaar ruim 10.000. De UM is van piepkleintje uitgegroeid tot een middenmoter. Terwijl andere universiteiten met laptops en Internetaansluitingen studenten trachten te werven, probeert de UM de laatste tijd de groei juist af te remmen.

Adverteren doet het bestuur al lang niet meer. In tegendeel: dit jaar werd een numerus fixus van 500 studenten ingesteld voor de studie internationale bedrijfskunde, waardoor 250 studenten werden teleurgesteld. Volgend jaar volgt economie. Daardoor blijft de groei beheersbaar: de voorlopige aanmeldingscijfers voor dit studiejaar laten een toename zien van 4 procent, waarmee de universiteit dit jaar qua groei op de vierde plaats staat: na Eindhoven, Utrecht en Nijmegen.

Collegevoorzitter Karl Dittrich vindt een studentenstop een ,,rotmaatregel'', vertelt hij in zijn kantoor in een voormalige kloosterkerk. ,,Maar we moeten oppassen dat het succes zich niet tegen ons keert. De kleinschaligheid van ons onderwijs is profielkenmerk nummer één. We kunnen de studentgroepjes iets vergroten, maar meer concessies kun je niet doen. Dan bijt je in je eigen buik.''

De universiteit brak direct bij haar oprichting (toen alleen nog een medische faculteit) met de universitaire traditie van kennisoverdracht via hoorcolleges. Onder leiding van vooruitstrevende onderwijskundigen als Wijnand Wijnen, die het onderwijs ,,te stoffig en de studenten veel te passief'' vonden, werd in Maastricht het `probleem gestuurd onderwijs' (pgo) ingevoerd. In het pgo-model krijgen de studenten een casus voorgeschoteld. Een voorbeeld voor studenten geneeskunde: `Een 53-jarige getrouwde vrouw komt bij je en klaagt over pijn rechts in haar rug, boven het bekken. De pijn treedt periodiek op en is dan zo hevig dat ze niet kan liggen of stilzitten.' De studenten moeten dan in kleine groepjes onder begeleiding van een tutor het probleem oplossen door in de boeken te duiken. Wijnen: ,,Studenten zijn actief, overleggen onderling, zoeken zaken op en helpen elkaar. Zo beklijft de stof veel beter.''

Het onderwijs is daarbij interdisciplinair: Vakken die op andere universiteiten strikt zijn gescheiden, worden binnen het pgo-systeem met elkaar in verband gebracht. Wijnen: ,,Het onderwijs lijkt vaak op een volkstuintjescomplex: iedereen verbouwt zijn eigen groente. Maar juist de interactie en samenwerking tussen de verschillende disciplines is belangrijk. Zeker bij geneeskunde. In het voorbeeld van de vrouw met rugpijn kan het gaan om een probleem dat de huisarts kan afhandelen. Maar misschien is een chirurgische ingreep nodig of hangen de klachten samen met psychische nood. Studenten krijgen later in de praktijk ook te maken met combinaties van factoren en niet met geïsoleerde problemen.''

Wat later een succesformule zou blijken, werd de universiteit aanvankelijk door de strot geduwd. Toen de Tweede Kamer in de jaren zestig instemde met de oprichting van een achtste medische faculteit om een voorzien artsentekort op te vangen, had Limburg goede papieren: een universiteit zou een gunstige invloed hebben op de sterk gestegen werkloosheid die het gevolg was van de mijnsluitingen. De Kamer stelde wel een voorwaarde: de universiteit moest een voortrekkersrol spelen bij de onderwijsvernieuwing, want aan meer van hetzelfde had niemand behoefte.

Toch werd de komst van de faculteit steeds uitgesteld door beleidsmakers die een nieuwe universiteit bij nader inzien toch te duur vonden. Het Limburgse PvdA-Tweede Kamerlid Sjeng Tans drukte in 1974 een illegale start door met studenten geneeskunde die waren uitgeloot en toch niets te verliezen hadden. Hij gokte erop dat er voor de collega-politici dan geen weg terug meer zou zijn, en inderdaad werd de faculteit in 1976 gelegaliseerd.

Het uitgangspunt was dat de medische faculteit zou uitgroeien tot een volwaardige universiteit met verschillende faculteiten - de Rijksuniversiteit Limburg (RL) - plus een bijbehorend academisch ziekenhuis. ,,Dat is gelukt en daar ben ik blij om'', zegt Sjeng Kremers, die in 1977 gouverneur (Commissaris van de Koningin) in Limburg werd. ,,Maastricht was een prachtig openluchtmuseum, maar tevens een besloten, ingeslapen provinciestad. De universiteit heeft de ramen flink opengezet.''

De eerste jaren bleek het lastig om hoogleraren van de gevestigde universiteiten naar Maastricht te lokken. De universiteit had nog geen reputatie opgebouwd en bovendien werd er lacherig gedaan over het gebruikte onderwijsconcept. Wijnen: ,,De teneur van de kritiek was dat er in Maastricht geen artsen werden opgeleid, maar hoogstens een veredeld soort maatschappelijk werkers. Die kritiek verstomde pas toen de eerste artsen afstudeerden.''

De jonge universiteit moest het in de eerste jaren hebben van pioniers als de huidige staatssecretaris van justitie Job Cohen, die heilig geloofden in het pgo-systeem. ,,Studeren aan de hand van concrete problemen, leek me uitdagender dan het simpelweg in je hoofd stampen van feiten'', zegt Cohen. In een lyrisch stuk in een vooraanstaand juristenblad schreef hij dat het Maastrichtse model niet alleen voor geneeskunde maar ook voor een rechtenstudie zeer geschikt was. In 1981 ging de juridische faculteit met hem aan het hoofd van start. In 1991 werd hij benoemd tot rector magnificus.

Niet iedereen was even streng in de leer als Cohen en consorten. Directeur Hildegard Schneider van het masterprogramma European Law School: ,,Toen ik in 1986 begon als docent Europees Recht was het pgo een soort geloof. Aanhangers spraken over `het systeem'. Het was een heilige koe, die je niet mocht bekritiseren.'' Cohen heeft achteraf echter geen spijt: ,,Als je met iets totaal nieuws komt, moet je een beetje dogmatisch zijn'', vindt hij. ,,Wanneer je meteen consessies doet, blijft er snel niets meer van over.''

Met de komst van een rechtenfaculteit en later ook economie en psychologie, zette de UM zichzelf op de kaart. ,,Dat zijn opleidingen waar wij in Tilburg ook sterk in zijn, dus dat voelden we wel'', zegt oud-rector magnificus Len de Klerk van de Katholieke Universiteit Brabant. ,,We hadden er opeens een stevige concurrent bij.''

Ook al omdat de UM zichzelf goed wist te verkopen. Als eerste universiteit begon Maastricht met een professioneel pr-beleid. Halverwege de jaren tachtig besloot toenmalig rector Felix Bonke tot een advertentiecampagne in alle dagbladen om studenten te trekken. ,,Nu is dat heel gewoon, maar toen was het not done om als universiteit reclame te maken'', herinnert Dittrich zich. ,,Ik was er ook tegen. Maar het had resultaat.''

Toen in 1991 de Eurotop in Maastricht plaatsvond, waar het verdrag van Maastricht werd gesloten, kwam de universiteit met de leus: `Sorry Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Leiden, Groningen enz. De top zit in Maastricht'. In 1996 doopte de Rijksuniversiteit Limburg zichzelf om tot Universiteit Maastricht (UM) om te kunnen meeliften op de faam die de stad na de top had verworven.

Twee jaar geleden wist de UM nog als enige universiteit te groeien, terwijl aan alle andere instellingen het studentenaantal afnam. Recentelijk raakte Maastricht iets van haar glans kwijt. Uit de Keuzegids Hoger Onderwijs 98/99, een toonaangevende studiegids voor aankomende studenten, kwam de UM voor het derde achtereenvolgende jaar als beste universiteit uit de bus. Maar bij geneeskunde, de bakermat van het pgo, zakte Maastricht naar de tweede plaats, achter Groningen. Ook bij de opleiding economie werd Maastricht ingehaald door Tilburg en Rotterdam.

Andere universiteiten hebben het geheim van het kleinschalige onderwijs inmiddels ontdekt. Ook Groningen is begonnen met probleemgestuurd onderwijs, zegt de Maastrichtse rector magnificus Arie Nieuwenhuijzen Kruseman. ,,Het is de wet van de remmende voorsprong. Voor hen is het nieuw, terwijl bij ons de sleet er een beetje begint in te raken.'' Toch is hij niet bang dat het concept op grote schaal wordt gekopieerd. ,,Wij hebben het pgo als enige instellingsbreed ingevoerd. Onze hele infrastructuur is erop ingesteld, met veel kleine kamers en weinig collegezalen. Dat doe je niet even na.''

De Klerk beaamt dat het lastig is een nieuw onderwijsconcept in te voeren in een instelling die al tientallen jaren draait. ,,Maar we hebben natuurlijk niet stilgezeten. Tilburg heeft het Maastrichtse concept goed bestudeerd en daarop een eigen variant ontwikkeld'', zegt De Klerk. ,,Ik vond het pgo-model waarbij elke faculteit precies hetzelfde moet doen te dogmatisch en te schools. Ons systeem is geen récept, maar een cóncept, waarvan de uitvoering per faculteit kan verschillen.''

Op de UM klinkt ook intern kritiek. Het groepjes-onderwijs kost veel tijd en met een toenemend aantal studenten wordt de druk groter. Steeds vaker worden tutoren vervangen door studentassistenten, bijna-afgestudeerden zonder onderwijservaring. Dat is niet goed, vindt Schneider van de Maastrichtse masteropleiding voor juristen. ,,Een tutor moet veel weten van het vakgebied om goed te kunnen begeleiden.'' Een andere klacht is dat de onderwijslast ten koste gaat van het onderzoek. ,,Dat is de prijs die wij betalen voor de nadruk die wij op onderwijs leggen'', zegt Kruseman laconiek. Cohen vindt de kritiek overdreven: ,,Docenten kankeren wel vaker dat ze te veel onderwijs moeten geven, dat hoort erbij.''

Toch vindt Kruseman het een goed moment voor herbezinning. Hij heeft het afgelopen jaar een discussie over het onderwijs aangezwengeld, ,,iets wat een aantal jaren geleden ondenkbaar was''. De vraag is daarbij of het pgo net zo goed werkt bij de studies rechten en economie als bij geneeskunde.

Schneider heeft haar twijfels: ,,Wanneer het om pure kennis gaat, zoals bijvoorbeeld rechtsgeschiedenis, is het tijdverlies als de studenten alles zelf moeten opzoeken.'' Volgens haar moeten rechtenstudenten ook eerst een zekere basiskennis hebben voordat ze vakoverschrijdende problemen zelf kunnen gaan oplossen. ,,Anders lopen studenten steeds tegen kennislacunes aan en dat is alleen maar frustrerend.''

Zij staat met die opvatting niet alleen. De afgelopen jaren zijn op verschillende faculteiten mondjesmaat hoorcolleges ingevoerd. Schneider: ,,Een hoorcollege is een prima manier om kennis over te dragen, als je je maar bewust bent van hetgeen je ermee wil bereiken.'' Haar collega Franz Palm, decaan van de economiefaculteit, is het daarmee eens. ,,We merkten dat de economiestudenten moeite hadden om verbanden te zien tussen verschillende onderwerpen. In een of twee uur per week college is dat prima uit te leggen.''

De bestuurders hebben het begrepen. Ze kunnen niet eeuwig uniek blijven, ze moeten hier en daar ook concessies doen. ,,We worden steeds meer een gewone universiteit'', zegt Dittrich. ,,Dat is inherent aan de groei.''