Dagboek I

Dit is de stad van de Frauenkirche, een grote puinhoop waaruit nu heel langzaam weer een kathedraal verrijst. Alleen de bezemkast kwam ongeschonden onder de stenen vandaan, met alle emmers en vegers die er op de 12e februari 1945 zo netjes waren neergezet. Kosten: 250 miljoen – platgooien is nu eenmaal iets simpeler dan opbouwen.

Dit is ook de stad van Victor Klemperer, de oudere joodse hoogleraar die er de hele oorlog overleefde – hij was met een niet-joodse vrouw getrouwd – en die een van de meest fascinerende oorlogsdagboeken naliet. `Klemperer is vooral zo goed omdat hij precies wist wat hij op moest schrijven', meent Walter Nowojski, die jaren met de bewerking bezig was. `Hij noteerde alles: hoe mensen op straat hem, een jood, groetten, wat er gegeten werd, de geruchten over de kampen, alles. Als historicus voelde hij feilloos aan welke details later van belang zouden kunnen zijn. Bij Oostzeebadplaatsen stond bijvoorbeeld een bordje: `Judenfrei'. In 1938? Nee, al in 1924. Dat is iedereen vergeten, dat weet ik alleen dankzij Klemperer.'

En dan was er de taal. Klemperer schreef er een apart boek over omdat volgens hem vooral via speciale woorden `het nazisme het vlees en het bloed van de massa binnensijpelde': `Weltjuden', `Volksnah, Volksfremd', `Staatsakt', enzovoorts. Nowojski: `In 1938 had voor mij, als dertienjarige, het woord `Fanatisch' een hele positieve betekenis. Aan de dagboeken kun je trouwens zien dat Klemperer er onder de DDR gewoon mee is doorgegaan. `Kämpferisch', `Gigantisch'– hij had zo weer een taalcollectie bij elkaar.'