Spijt

WALLAGE, de burgemeester van Groningen, vindt dat de basisvorming te liberaal is ingevoerd. Daardoor verschilt de aanpak te zeer van school tot school. Aldus het dagblad Trouw dat zijn bericht baseert op uitspraken van Wallage voor het Radio 1-journaal van 22 augustus.

Wallage heeft begin jaren negentig als staatssecretaris van onderwijs de basisvorming geïntroduceerd. Dat zijn voorstel indertijd werd geaccepteerd was juist te danken aan het liberale, of beter, vrijblijvende karakter ervan. Wallage gaf indertijd de voorkeur aan de lege dop omdat zelfs een half ei er gewoon niet inzat. Een lege dop, zult u denken, is helemaal niets, maar Wallage had een heel speciale reden daar in dit geval anders over te denken.

In de jaren zeventig was de middenschool een van de belangrijkste geloofsartikelen van links. Het gros van de leraren moest er evenwel niets van hebben, en rechts zo mogelijk nog minder. Om de politieke verhoudingen niet al te zeer te verstoren werd het politieke stokpaard op stal gehouden.

In de jaren erna veranderde er veel in het onderwijs: de leerlingenaantallen liepen terug. Daardoor werden scholen toleranter in hun toelatingsbeleid. Verder werden scholen gestimuleerd of gedwongen te fuseren. Met als gevolg dat het gros van de leerlingen zijn middelbare schoolloopbaan begon in de brugklas van een min of meer brede schoolgemeenschap. De belangrijkste doelstelling van de middenschool, gelijke kansen, was daarmee gerealiseerd. Vreemd genoeg was dit niet een reden voor de progressieve partijen om tevreden vast te stellen dat die ontwikkelingen de middenschool overbodig hadden gemaakt. Klaarblijkelijk bang voor politiek gezichtsverlies werden middel en doel niet helder meer onderscheiden en bleef men naarstig zoeken naar de verwerkelijking van het droombeeld waarin men zich had vastgebeten. Uiteindelijk zou de oplossing worden gevonden in het compromis van de basisvorming.

De basisvorming is een middenschool binnen de bestaande school. Links kreeg zijn middenschool, rechts kon tevreden vaststellen dat het bleef zoals het was. Geen enkele politieke partij leed dus gezichtsverlies. De verliezers waren dus niet de politici maar de scholen die het ideologische compromis vorm moesten geven binnen het reëel bestaande onderwijs, die dus moesten veranderen terwijl alles toch bij het oude bleef.

Zo moesten gymnasium en VBO in de eerste leerjaren dezelfde extra stof behandelen en er daarnaast ook nog eens voor zorgen dat het gewone programma niet in gevaar kwam. Dat kan natuurlijk niet. Dus hebben de scholen van de gegeven vrijheid gebruik gemaakt om alles zo veel mogelijk bij het oude te laten en dus verschilt de aanpak zeer van school tot school. Daarover zegt Wallage nu zich te verbazen en dat verbaast mij eerlijk gezegd nogal. Hij moet zich toch herinneren dat hij de basisvorming alleen geaccepteerd kon krijgen door de eisen vaag te houden. Inhoudelijk mocht het niets voorstellen want iedere school moest ermee kunnen leven.

In plaats van te klagen over het vrijblijvende karakter van de basisvorming had Wallage zijn spijt dienen te betuigen dat hij, terwille van politiek prestige, indertijd de valse suggestie heeft gewekt dat er heel wat ging veranderen. Dat heeft aanvankelijk aanleiding gegeven tot veel verwarring. Maar gelukkig niet voor lange duur. Behalve bij Wallage zelf, zo wil hij ons doen geloven.