Marienstrasse

Dresden is een stad van landjes, rare parkjes die in geen enkele normale binnenstad thuishoren, vol gras, struiken, oude fundamenten. Er zijn prachtige gebouwen in Dresden, hersteld en herbouwd, als de kaarten van een kwartetspel liggen ze uitgespreid, maar een stad vormen ze niet. Het zijn hooguit wat kleurige scherven in een gereconstrueerde vaas van gips. De stad, dat zijn de landjes.

Een van die landjes ligt op de plaats van de Marienstrasse. In het stadsmuseum liggen enkele sporen van de vuurstorm die de geallieerden tegen het eind van de oorlog over de stad legden: een paar gesmolten flessen, een half gesmolten bankschroef, foto's van lijken, sommige in een drooggestoomde fontein, de kleren weggebrand, alleen een helm heeft eentje nog op. Er ligt ook een brief van Frieda Mehnert uit Marienstrasse 42. Op 12 februari 1945 schreef ze aan haar broer: `Nu is ook Leignitz bezet en Görlitz ontruimd. In Dresden wemelt het van de vluchtelingen. In Chemnitz is vorige week een vreselijke aanval geweest. De stad heeft dagenlang gebrand. Of Ernst en Liddi nog leven? Schrijf eens aan Gertrud en vraag of ze nog aardappels voor jullie heeft, voor jullie doet ze dat wel. Bij ons zijn veel doden van de laatste aanval nog niet geborgen. Ze kunnen het niet meer bijhouden. Pas stonden er 98 doodsberichten in de krant. Ik tel ze altijd. Je moet er niet aan denken, om in een kelder te zitten en zo op de dood te wachten...'

Het was de laatste brief van haar leven. Een dag later stikte ze met haar man en 50 andere straatbewoners in de kelder van hun huis.