Leren van fouten

Fout, verkeerd, mislukt, onmogelijk. Uit wat ik vorige maand schreef over de denkweg naar ontdekkingen en uitvindingen zou de indruk kunnen ontstaan dat die volgens mij altijd rechttoe rechtaan zou lopen van een door waarneming gewekte nieuwsgierigheid naar een iets nieuws opleverende vondst. Zo is het natuurlijk niet. Er zit maar al te vaak een zoektocht tussen met zijpaden en doodlopende wegen. En, zoals Vincent Icke in zijn door mij genoemde artikel schrijft, er zijn soms ook verschillen van mening en verwoede discussies over de richting waarin verder moet worden gezocht.

Het uitvinden van het nog niet bestaande of het ontdekken van het al wel bestaande, maar nog onbekende is op te vatten als een hoge vorm van leren. In de psychologie worden diverse leervormen onderscheiden, zowel simpele als ingewikkelde processen die leiden naar iets nieuws in het kennisrepertoire. En vaker niet dan wel worden tussentijds foute wegen ingeslagen. Bij het relatief ongecompliceerde instrumenteel leren wordt bijvoorbeeld gesproken van trial and error, gissen en missen. Van iets maar eens proberen en kijken of het werkt. Zo ja, dan doorgaan. Zo nee, dan iets anders bedenken. Het eigen gedrag is zodoende het instrument om iets te weten te komen. Hoewel ook zulke missers verder helpen, omdat je dan weet in welke richting je in ieder geval niet hoeft zoeken, is het toch een vrij magere betekenis van het het principe dat je ook van fouten kunt leren. Zo moet je dus niet meer denken of doen, maar hoe dan wel?

Bij de hoogste leervorm, het probleemoplossend leren, krijgen fouten veel meer gewicht, want geven aanleiding tot analyse. Waarom ging het mis? Waarom kwam er niet uit wat we dachten?

Dat vergt opnieuw nieuwsgierigheid. Eigenlijk is dan sprake van een nieuw hé-moment: wat interessant dat het niet lukt! Wat kan daar achter zitten? Fouten zijn niet langer onproductief, omdat ze van de oorspronkelijke vraagstelling afleiden, maar zijn aanleiding tot een nieuw ontdekkingsproces.

En heel soms is sprake van wat `serendipiteit' wordt genoemd. Pek van Andel heeft daar in deze krant wel eens over geschreven. Het wil zeggen dat al zoekend men op iets stuit, waarop men niet uit was, maar dat waardevol en nieuw is. Er wordt dan wel gezegd dat die vondst dus louter toeval is, maar dat ontkent de open blik die nodig is om in een verkeerd resultaat iets van waarde te onderkennen. Het kan immers geen kwestie van herkennen zijn, want dan zou het niet om iets nieuws gaan. Toen in het begin van de tulpenhandel men soorten ging kruisen om nieuwe te kweken ontstond ook eens een raar misbaksel. De kweker keek hier echter doorheen, en ontwikkelde zo de beroemd en kostbaar geworden parkiettulp.

De twee betekenissen die aan fouten kunnen worden toegekend – snel laten voor wat ze zijn of de tijd nemen er over door te denken – worden beide onderwezen in het voortgezet onderwijs. Of liever gezegd: zouden beide onderwezen moeten worden, maar ik ben bang dat de eerste overheerst. Die van het op juiste wijze toepassen van geleerde regels, modellen, principes of systemen. En als iets niet klopt of niet werkt, zoeken of men van de verkeerde regel uitging of waar de toepassing te kort schoot. Daar is op zichzelf niets tegen, is zelfs wezenlijk, want ook het reeds bestaande kennisrepertoire moet aan de jeugd door oefening worden overgedragen.

Maar het aankweken van een probleemoplossende instelling, een beetje weg van al begaande paden, is minstens zo belangrijk.

Toegegeven, niet iedereen heeft het talent om vorser te zijn. Bovendien zijn de werkelijk daartoe begaafden wel in staat tegen de verdrukking in nieuwsgierig, fantaserend en zoekend te blijven. Maar het zou zo leuk zijn als ook de net aanpalende groep die het wel in zich heeft, maar er uit zichzelf niet toe komt zich die instelling eigen zou kunnen maken.

Nu zal men misschien zeggen: en daarvoor hebben we nu het studiehuis, want daar moeten leerlingen zelfstandig werken. Volgens mij is dat echter toch iets anders. Het studiehuis kan in dit opzicht zelfs misleidend zijn. Dat zelfstandig werken zou wel eens het toepassen van geleerde regels, modellen, systemen en principes kunnen versterken. Ze geven immers houvast als je er in je eentje voor staat. Bovendien betekenen een onbegrijpelijke uitkomst, een gek resultaat of een gapend gat in een redenering alleen maar oponthoud naar de uitgang, het examen. Daar uit nieuwsgierigheid wat verder mee prutsen en klooien is zonde van de schaars bemeten tijd.

Het is vooral ook zo jammer met het oog op een academische vorming later. Er wordt veel gesproken over de wel heel schoolse, volgzame instelling van de doorsnee student van nu. Zeg maar welke hoofdstukken ik moet lezen, welke proeven ik moet doen, welke formats ik moet hanteren.

Allemaal begrijpelijk als je binnen vier jaar klaar moet zijn. Maar waar blijft de ruimte voor het uitpluizen van wat buiten de directe examenstof ligt, louter vanwege de intellectuele bevrediging? Voor het zich met plezier laten verrassen door onbegrijpelijke resultaten en gaan zoeken wat daar achter kan zitten? Kortom voor het echte leren van fouten?