Internet schiet grote gaten in Chinese muur

De Chinese internetmarkt groeit uiterst snel. Maar het ongrijpbare karakter van de elektronische snelweg laat zich slecht combineren met de wens van het autoritaire regime om de informatie te sturen.

Wat een doodziek meisje al niet kan betekenen voor de Chinese internetwereld. Het was in 1995, internet had pas een jaar zijn intrede gedaan in China, toen studenten van de universiteit van Peking een digitale noodkreet de wereld in stuurden. Een van hun medestudenten was ziek _ een thalliumvergiftiging zo heette het. Maar niemand aan het thuisfront wist er raad mee; of er misschien in cyberland iemand was die van advies kon dienen. ,,Met de antwoorden die vanuit alle windstreken het netwerk van de universiteit van Peking bereikten, werd haar leven gered'', zegt internetspecialist Hu Yong.

Het voorval haalde China's nationale media, en voor het eerst, aldus Hu, kreeg internet de aandacht die het medium verdient. ,,Tot die tijd wisten de autoriteiten er eigenlijk geen raad mee. Ze begrepen het hele cybergebeuren niet en brachten het gemakshalve onder als een nieuwe bron van berichtgeving die moest worden beteugeld door het bureau van propaganda.'' Maar door het thallium-meisje leerde zowel Hu als de overheid dat de toegang tot internet verstrekkende en positieve gevolgen zou kunnen hebben voor de toekomst van China. ,,Gevolgen die China in een klap zouden kunnen doen bevrijden uit zijn agrarische traditie'', zegt Hu, die auteur is van `Internet: de koning die heerst'.

De twijfel en achterdocht die vijf jaar geleden nog bestond in China over internet is inmiddels voorbij. Zelfs de bejaarde technocraten van het land, zoals de president en de premier, reppen in het openbaar over het belang van de Grote Sprong Voorwaarts on-line. De `kenniseconomie', zoals het inmiddels heet, moet China sterk en weerbaar maken in de wereld van de snel veranderende markten.

Presidentiële adviseurs hebben daar wel even op moeten hameren, want aan de top was cyberspace vooral een mysterieus en ongrijpbaar spektakel. Een blik op de cijfers leert dat inmiddels miljoenen Chinezen het naadje van de kous weten over bruikbare servers en sites. De Chinese internetmarkt is zelfs hard bezig 's wereld grootste te worden, met 75.000 internetaansluiting in 1996, 2,1 miljoen eind vorig jaar en liefst vier miljoen in de laatste zes maanden. Het China Internet Network Information Centre, een regeringsinstelling, beweert zelfs dat in het jaar 2000 sprake zal zijn van 10 miljoen aansluitingen, waarmee China na de VS het land zal zijn met de meeste internetgebruikers.

Reden dus voor de top van de communistische partij om lijn te brengen in de tierende internetweelde. De leiders van het land hebben inmiddels wel begrepen dat de toegang tot internet niet uitsluitend moet worden beschouwd als het binnenhalen van een hoogtechnologisch Paard van Troje. Maar voor hen blijft het vinden van de balans tussen het liberale platform dat internet is en de alles omvattende greep op informatie die het autoritaire regime zo hoog in het vaandel heeft staan, een delicate aangelegenheid.

Getrouw aan een goede traditie legt de overheid een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor het oplossen van dit heikele probleem bij de markt zelf. Zelfcensuur heet dat. Laat de internetproviders en de pagina-aanbieders zelf maar bepalen wat wel en wat niet door de beugel kan. Het is een beproefde methode die tot grote voorzichtigheid maant. Internetondernemer Zhang Zhidong gedraagt zich daarnaar. Zelfcensuur is zijn tweede natuur. Op het zoekscherm van zijn bedrijf, sina.com, pakweg de yahoo.com voor de Chinese markt, staan alleen `veilige' ingangen: voorgekookte klikmenu's die de internetgebruiker sneller op zijn bestemming moeten brengen. Geen politiek nieuws en al helemaal geen `gele' bestemmingen; de kleur die in China staat voor het verboden bloot. ,,Als ik daaraan begin, teken ik mijn eigen doodvonnis'', zegt Zhang.

Maar een beetje handige Chinees komt toch wel aan zijn gerief. ,,Ik log Chinees in voor praktische informatie, maar ga naar het buitenland voor het bijspijkeren van mijn kennis'', zegt een gebruiker. En wil hij naar de gele `skin sites', dan krijgt hij ze ook. De zelfcensuur blijkt niet afdoende.

De overheid heeft de laatste jaren geleerd hoe ze politiek gevoelige of kwalijke pagina's kan blokkeren. Ook dat blijkt een halve maatregel. De binnenkomende elektronische post is niet te controleren.

Zo kan het gebeuren dat zelfs het hoofd van de afdeling voor `Toezicht op computerveiligheid' van het politiebureau in Shanghai om de tien dagen post op zijn scherm krijgt van de Chinese VIP Reference, een elektronisch pro-democratisch tijdschrift dat wordt samengesteld door Chinese studenten en wetenschappers in Washington. De Chinese autoriteiten op hun beurt, slaan terug. Zij veroordeelden in december vorig jaar een dertig-jarige software ingenieur tot twee jaar celstraf omdat hij 30.000 Chinese e-mail adressen aan VIP Reference zou hebben verkocht.

Het mag echter een geruststelling zijn voor de Chinese regering dat de gemiddelde belangstelling in China voor politieke informatie vrij gering is, of die nu uit China komt of niet. Dat is het resultaat van een intimiderend en effectief propaganda-apparaat. En als al sprake is van een politiek besef, dan wordt dat vooral gestuurd door nationalistische sentimenten. Het NAVO-bombardement op de Chinese ambassade in Joegoslavië, afgelopen mei, bracht een golf van internetactiviteit teweeg. Er werd vrijuit gevloekt en getierd in China's cyberspace.

Hu Yong, auteur van `De koning die heerst', ziet andere redenen die de invloed van internet in China voorlopig nog beperken. Zo is sprake van een taalbarrière en ,,een toetsenbord dat niet aansluit bij de Chinese cultuur''. Karakters laten zich nu eenmaal niet eenvoudig vertalen via de 26 toetsen van het alfabet. Vertaalslagen via tal van transcriptiesystemen bieden uitkomst, maar de drempel die toegang biedt tot de internetwereld is in China hoger dan in de Westerse wereld. Pagina's in het Chinees zijn er nog altijd onvoldoende.

Maar een invloedrijke groep in China heeft recentelijk bewezen dat het door alle taalbarrières en transcriptieproblemen weet heen te breken. De filosofisch-religieuze groep Falungong, die in april dit jaar voor de poorten van het Chinese regeringscentrum in Peking massaal een stil protest hield om formeel erkend te worden, bleek haar volgelingen te bereiken via het internet. De Chinese regering bleek daar niet tegen opgewassen. Althans voor korte tijd. Want de maatregelen die zij naderhand trof om de groep alsnog het hoofd te bieden, waren als vanouds repressief. Met cyberspace hadden ze in elk geval niets van doen: de Falungong werd verboden en haar leiders gearresteerd.

startpaginawww.sina.com