In de Mitchell

Het was weer zover, vorige week zaterdag: vroeg op, en met de trein naar Eindhoven. Maar eerst door de stad waar iedereen nog op apegapen lag van de Uitmarkt. Ik deelde de halte met een in bier gemarineerde Brit die vroeg of dit Amsterdam was. Ja. De tram raasde zonder tegenstand naar het station, de trein stond klaar, in de weilanden staken de koeien met rug en kop boven de grondnevel, bij de brug over de Waal brak de zon door en veranderde de rivier in zilver. Goed vliegweer.

Ruim op tijd was ik op de basis. Van wat? Van The Duke of Brabant Air Force, de luchtmacht van één toestel, een B-25 Mitchell bommenwerper uit 1944, en in staat van nieuw. De meesten waren er al, de vliegers René van Hemert (Reneetje), en Edwin Boshoff, en niet lang daarna kwam ook Fiets, een magere parate man die eigenlijk Gerson van Messel heet, nog de DC-2 en de B-17 heeft gevlogen en nu 97 is. Het gesprek ging over koetjes en kalfjes, d.w.z. de eigenschappen van allerlei vliegtuigen. Fiets roemde de B-17. Ik kan er niet over meepraten. Ik zei hem dat ik er wat voor over zou hebben om eens in dat toestel te zitten. Hij vertelde dat er een in Engeland staat. Ik wist nog een B-17 in Frankrijk, maar moest bekennen dat ik die nooit had gezien.

Om kort te gaan: toen werd de Mitchell uit de hangar gerold. Dat is een mooi moment. Wie er ongevoelig voor is, raad ik aan hier met lezen op te houden. De anderen weten: het is een schoonheid van een machine. Om een vergelijking te maken, zoals een scheepsstoommachine, of zelfs een oude `heikar' een schoonheid is, hoewel anders, en altijd het mooist in werkende toestand. Niets overbodigs, geen poespas, gewoon het vliegtuig tegen de groene horizon, onder de blauwe hemel. De onmetelijkheid.

De ene muze schiet altijd tekort tegenover de andere. In woorden valt niet uit te leggen hoe mooi een schilderij of een muziekstuk is, en een roman valt niet te schilderen of in noten om te zetten. Je klimt het trapje op, komt in een metalen tunnel, gaat op een houten bankje zitten en wacht nog even met het opzetten van je koptelefoon omdat je het geluid van de startende motoren wilt horen. Oorverdovend lawaai, dat ook. Melancholiek ouderwets. Dat zal wel. Muziek van het goed werkend mechanisme. Zie boven. Het was ook, weer tot mijn verrassing (je bent er op voorbereid maar je wordt toch weer overvallen) het effect van de tijdmachine.

Toen we in de lucht waren, ging ik naar de plaats waar indertijd de staartschutter heeft gezeten. De laatste meters moet je kruipen, dan zit je op een soort fietszadel, en om je heen is niets dan de hemel, de wolken en de diepte die duizend meter verder op aarde eindigt. Je bent een jaar of 22, en dan ontdek je vijf stipjes, dat zijn snel naderende Messerschmidts of Focke Wulfs. In Joseph Hellers Catch-22 staat nauwkeurig beschreven wat er dan kan gebeuren. (p.68 in de Vintage editie, 1994).

Het was 1943, ik zat in de trein van Rotterdam naar Utrecht, het was zulk weer als vorige week zaterdag. De trein stopte. Alle passasagiers in de weilanden. Daar naderden de vliegtuigen, B-17's, niet een paar maar meer dan honderd, hun contrails tegen de blauwe lucht trekkend. Het metalen koor van duizend motoren heb ik het genoemd, en beter weet ik het niet uit te drukken. Ze waren op weg naar de kogellagerfabriek van Schweinfurt. Het werd 43 jaar later, ik zat op een bankje in Abingdon Square, Manhattan, naast iemand die ik toen een `ouwe man' vond. Eerst ging het gesprek over zijn hond, waarvan ik zei dat die er zo verstandig uitzag. Toen kwam het op de oorlog. Hij had in een B-17 gevlogen. Vertel verder! Schweinfurt was het ergst geweest. Dat wist ik, had ik nagelezen in een boek Duizend dagen boven Duitsland. Ik zei: dan heb ik u toen nog gezien. `Small world,' zei hij.

Nu zaten we in de Mitchell. Ik had de stekker van mijn intercom eruit getrokken, was dus niet verdacht op de ongebruikelijke bewegingen. De G-kracht drukte mijn hoofd in mijn nekwervels. Dan weet je weer dat je vijf kilo meedraagt. Dat was op deze vlucht eigenlijk het enige avontuur. Vorige keer had ik in de neuskoepel gezeten, we waren boven Rotterdam geweest – weer een ander hoofdstuk – maar nu alleen de tijdloosheid van hemel en aarde met de muziek van de motoren in een 55 jaar oude bommenwerper. We stonden weer op de grond, zeer tevreden. Fiets zag eruit alsof hij een halve eeuw jonger was geworden. Ik trok mijn overall uit en het was weer 1999.