`Het overzicht ontbreekt'

Staatsrechtsgeleerden moeten een toontje lager zingen in de discussie over politiek en bureaucratie, vindt M.H. Meijerink, oud-secretaris-generaal van het ministerie van Onderwijs. Deel 3 in een serie vraaggesprekken.

Laat de staatsrechtsgeleerden er niet vandoor gaan met de discussie over de relatie tussen politiek en bureaucratie! Prof. drs. M.H. Meijerink zegt het minder sterk, maar zijn woorden zijn doortrokken van irritatie over de manier waarop het debat over `de vierde macht' en ministeriële verantwoordelijkheid wordt gevoerd.

Meijerink, voormalig secretaris-generaal op het ministerie van Onderwijs en sinds 1995 voorzitter van de Vereniging van universiteiten (VSNU), wil het staatsrecht geenszins buiten beschouwing laten. Maar de discussie moet volgens hem elders beginnen. Waar? Meijerink: ,,De politiek moet eerst eens een aantal eenvoudige maar fundamentele vragen durven stellen. Waar wil de politiek eigenlijk over gaan? Wat gebeurt er zoal bij de uitvoering van publieke taken in diverse sectoren van de samenleving? Wat juichen we toe, wat willen we niet? En vervolgens: hoe stimuleren we wat wenselijk is en remmen we af wat we niet willen?''

Is het zo eenvoudig? ,,Zo eenvoudig zou het moeten zijn. Als je begint bij het staatsrecht, blijf je in kringetjes rondpraten. Dan kom je onmiddellijk terecht bij de ministeriële verantwoordelijkheid en krijg je al snel twee posities die diametraal tegenover elkaar staan: mensen die niets willen veranderen, tegenover mensen die allerlei ingewikkelde constructies willen inbouwen in de relatie tussen politici en ambtenaren. Zo'n discussie leidt tot niets.''

Enkele momenten in de afgelopen tien jaar zijn bepalend geweest voor het denken over de organisatie van de overheid. Meijerink herinnert aan het rapport van de commissie-Wiegel, begin jaren negentig, waarin werd gepleit voor de oprichting van kerndepartementen – door Meijerink liever `beleidsdepartementen' genoemd. Uitvoerende ambtelijke diensten zouden op afstand moeten worden geplaatst.

In diezelfde jaren is er veel werk gemaakt van de verzelfstandiging van allerlei overheidsorganisaties - een ontwikkeling die nogal chaotisch is verlopen. In reactie daarop begon de Algemene Rekenkamer omstreeks 1994 te waarschuwen dat de (financiële) controle van `de politiek' op `ondernemende ambtenaren' ernstige lacunes vertoonde. Het eerste paarse kabinet besloot vervolgens een halt toe te roepen aan verdere verzelfstandiging van publieke diensten.

Meijerink: ,,Op dit moment hebben we te maken met twee werkelijkheden. In de politiek heeft het denken over de organisatie van de overheid de afgelopen jaren vrijwel stilgestaan. Intussen is er op het uitvoerende niveau ongelofelijk veel gebeurd. De verzelfstandiging is in allerlei verschillende organisatievormen gewoon doorgegaan: in het onderwijs, in de gezondheidszorg, in de landbouw, in de verkeerssector, noem maar op. Alleen: die nieuw gevormde diensten weten dat vaak niet van elkaar, ministers weten dat nauwelijks van elkaars departementen, laat staan dat het kabinet als geheel daarop zicht zou hebben.''

Sinds eind 1994 is de econoom Meijerink deeltijd-hoogleraar aan de VU in Amsterdam, waar hij een postdoctorale cursus voor jonge ambtenaren verzorgt. Het valt hem op dat zijn cursisten allemaal worstelen met de nieuwe taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van hun organisaties. Ze zijn vaak verbaasd dat van elkaar te horen. Ze denken dat ze bij een unieke organisatie met unieke problemen werken. ,,Het overzicht ontbreekt van laag tot hoog'', concludeert Meijerink.

In diverse sectoren van de samenleving wordt over de organisatie van overheidsdiensten veel moderner gedacht dan aan het Binnenhof. Dat is Meijerink ook opgevallen als voorzitter van een commissie die voorstellen heeft gedaan voor verzelfstandiging van de `bedrijfsvoering' van rechtbanken. Die commissie kwam onlangs met opmerkelijke voorstellen: rechtbanken zouden een eigen budget moeten krijgen naar rato van het aantal vonnissen dat zij wijzen. Om te voorkomen dat de kwaliteit van vonnissen daaronder te lijden krijgt, zou tegelijk een systeem van kwaliteitscontrole op de rechtspraak moeten worden ontwikkeld. Meijerink: ,,De verschillende reacties op onze voorstellen hebben mij verbaasd. Binnen de rechterlijke macht blijkt veel steun te bestaan voor dergelijke ideeën. In de politiek bestaat veel koudwatervrees.'' Maar valt er niet ook iets te zeggen voor terughoudendheid bij het al te rigoureus `uitplaatsen' van ambtelijke diensten, waarop vervolgens nauwelijks nog democratische controle kan worden uitgeoefend?

Meijerink ziet het probleem en heeft een oplossing. ,,Ik pleit ervoor dat de beleidsdepartementen van de commissie-Wiegel terugkeren op de politieke agenda. Voor dergelijke departementen zou de ministeriële verantwoordelijkheid onverkort moeten gelden. Voor uitvoerende diensten kunnen stap voor stap nieuwe vormen van toezicht en controle worden opgezet, waarbij direct betrokkenen zeggenschap krijgen.''

In Engeland is veel ervaring opgedaan met citizen charters. Daarin staat nauw omschreven wat er van publieke diensten wordt verwacht. Als ze falen, kan een burger naar de rechter stappen. In Nederland bestaat er een `kwaliteitshandvest' bij de studiefinanciering, het geprivatiseerde Kadaster heeft een klantenraad. Zo zijn er meer voorbeelden te geven van nieuwe checks and balances.''

Dienaren van de publieke zaak moeten worden gecontroleerd - daarover wil Meijerink geen misverstand laten bestaan. Maar het monopolie daarop ligt wat hem betreft niet bij kabinet en Kamer. ,,De politiek kan meer aan de samenleving overlaten dan ze wel eens geneigd is te denken.''

(De delen 1 en 2 in deze serie verschenen op 27 en 31 augustus.)