HARDE BÈTA 2

In de bijlage W&O van 21 augustus stelt B. Veltman, voorzitter van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT), voor de milieukunde-opleidingen op te heffen. Geïnterviewd over het advies over de toekomst van de harde-bèta-opleidingen, zegt hij: ``Modieuze opleidingen als milieukunde, die in wezen uit natuurkunde of scheikunde bestaan, zouden er goed aan doen terug te keren naar de moederschoot. Het onderwijs moet worden verbreed, het moet voorbereiden op een multidisciplinaire beroepspraktijk.''

In de eerste plaats een opvallend misverstand. De milieukunde bestaat niet in wezen uit natuur- en scheikunde. Als we al een kern van de milieukunde willen definiëren, dan ligt die toch vooral in de ecologie en de economie. Dit maakt het voorstel al op voorhand absurd.

Maar dan verder: We moeten inspelen op de `multidisciplinaire beroepspraktijk'. Uitstekend, maar dat is precies wat de milieukunde al 20 jaar doet, en met succes. Afgestudeerden vinden hun weg bij adviesbureaus, industrie, overheid en kennisinstellingen. Zij leveren een bijdrage aan de aanpak van milieuproblemen, waarmee Nederland internationaal een goede positie heeft verworven. Zowel het milieukunde-onderwijs als -onderzoek staat internationaal goed aangeschreven. De milieukunde doet precies van Veltman voorstelt, het vak streeft al naar verbreding en het voorbereiden op die multidisciplinaire beroepspraktijk. Laten we de milieukunde daarom niet opofferen aan het imagoprobleem van de harde bèta's.

De Eidgenossische Technische Hochschule (ETH) in Zürich is voor Veltman het ideaal van een combinatie van een technische en een algemene universiteit. Uitgerekend bij de ETH heeft men een opleiding `Umwelt-ingenieurwissenschaften' en een opleiding `Umwelt-naturwissenschaften'. Kortom: er is alle reden het milieukunde-onderwijs een zelfstandige positie te laten behouden.