`Ga niet vreemd, pa, want ik heb je nodig'

In Afrika loopt Oeganda voorop bij de bestrijding van aids. Apathie heeft er plaats gemaakt voor hoop. Maar dat betekent niet dat de epidemie al is overwonnen.

Buwama, 60 kilometer van de hoofdstad Kampala, is niet meer DAN een stopplaats langs de internationale verkeersweg van Kenia naar Congo, Tanzania en Rwanda. Een lint van gammele winkels en obscure hotels. Overdag denderen de trucks over het zwaar beschadigde wegdek. 's Nachts is in heel Buwama geen parkeerplaats te vinden. Vrachtwagenbestuurders drinken met vrouwen die hun lichaam ,,mijn winkel'' noemen. Grond is in deze streek schraal en onwillig. Chauffeurs hebben geld genoeg.

Een aangeschoten Keniaan onderhandelt met een 16-jarig meisje. Negen gulden biedt hij, drie keer het gangbare tarief, als hij zonder condoom mag. ,,Ik heb het van hen gekregen. Zij krijgen het van mij'', fluistert hij grijnzend tegen de aanwezige mannen. Later zegt het meisje dat zijn aanbod aannam. ,,Ik ben waarschijnlijk toch al besmet.''

Beginjaren '90 stierf in Buwama elke dag wel iemand aan aids. De meeste bewoners hebben geen of weinig scholing. Ze wisten niet waar de ziekte vandaan kwam en hoe ze verspreid werd. Medicijnmannen probeerden het kwaad met bloedige rituelen te verdrijven, waardoor het virus wat tot aids leidt alleen maar verder werd verbreid.

Ontzetting en apathie hebben intussen plaats gemaakt voor hoop en vertrouwen. Het resultaat van een intensief project dat de internationale hulporganisatie World Vision de afgelopen zes jaar heeft uitgevoerd. Eerst moest de doemsfeer worden doorbroken door voorlichting te geven aan vrouwen, tieners en kinderen, vertelt projectleider Samalie Nabbosa. En via vrouwen en kinderen werden uiteindelijk ook de onwillige mannen bereikt. ,,Ga niet vreemd, pa'', zongen hun zonen, ,,want ik heb je nodig en niet alleen vandaag.''

Later kwamen er voorzieningen voor bewoners die besmet zijn: medicijnen, psychische begeleiding, materiële ondersteuning, thuiszorg. Voor die hulpverlening werd de plaatselijke bevolking gemobiliseerd. Inmiddels is het aantal doden door aids gedaald en het seksueel gedrag is ingrijpend veranderd zegt Samalie Nabbosa. ,,Deze gemeenschap redt zich zelf weer.''

Oeganda was beginjaren '80 één van de eerste Afrikaanse landen waar aids zich openbaarde. Aan het eind van de jaren '80 had Oeganda het hoogste percentage besmette volwassenen ter wereld. Maar Oeganda is ook het eerste Afrikaanse land dat de epidemie heeft weten terug te dringen. Nog altijd was in 1997 één op de tien volwassenen besmet: 870.000 mensen. Maar dat percentage is lager dan in de beginjaren '90 en veel lager dan in Zuidelijk Afrika.

Die daling is tenminste voor een deel te danken aan de grootscheepse anti-aids-campagne die het land al dertien jaar voert. Dat blijkt uit onderzoek dat het VN-onderdeel UNAIDS in juni heeft gepubliceerd. President Yoweri Museveni begon met die aanpak, kort nadat hij in 1986 via een burgeroorlog aan de macht was gekomen. Zijn Cubaanse bondgenoten hadden hem verteld dat vijftig procent van zijn guerrillastrijders met het virus rondliep. Nadat het land vijftien jaar lang was verarmd en verscheurd door terreur, corruptie en oorlog, zag Museveni dat Oeganda opnieuw werd bedreigd.

Als eerste Afrikaanse land maakte Oeganda de strijd tegen aids tot nationale prioriteit. Jarenlang hield de president geen toespraak zonder op de risico's van aids te wijzen. En hij gebood zijn ministers om hetzelfde te doen. Particuliere initiatieven en overheidsprojecten bloeiden, royaal gesteund door het Westen. Ruim tachtig gulden per besmet persoon kreeg Oeganda in 1996 van de rijke donorlanden, ruim vier keer zoveel als Zimbabwe en bijna dertig zoveel als Nigeria. Een beloning voor de inzet en daadkracht die Oeganda al tien jaar lang toonde. Zelf spendeerde het armlastige Oeganda in 1996 vijfenhalve gulden per besmet persoon, tegen Zimbabwe ruim een stuiver en Nigeria geen cent. Die jarenlange inspanningen leidden ertoe dat het aantal besmettingen beginjaren '90 verminderde, in sommige delen van het land zelfs halveerde, zo bleek uit anoniem bloedonderzoek onder zwangere vrouwen. Voorlichting resulteerde ook in gedragsverandering. In 1989 had 31 procent van de jongens tusen 15 en 19 jaar nooit geslachtsgemeenschap gehad. Zes jaar later was die groep tot 46 procent gestegen. De club van mannen die ooit een condoom gebruikten, groeide tussen 1989 en 1995 van 15 tot 55 procent. Het percentage mannen dat vreemd ging, daalde van 22,6 tot 18,1.

Zaterdagmorgen na tienen druppelen ze één voor één binnen, overwegend vrouwen. Ze hebben hun mooiste rokken, hun schoonste blousen, hun kleurigste gewaden aangetrokken. Iedereen in hun straat kon zien dat ze een uitje hadden. Dat ze naar de Post Test Club in de Oegandese hoofdstad Kampala gaan, hoeft niemand te weten. Dat ze besmet zijn, blijft hun geheim. Zelfs haar moeder weet niet dat zij het virus met zich meedraagt, zegt Miriam Matte (38). ,,Ik heb het nooit gezegd. Zij heeft het nooit gevraagd.'' Negen jaar geleden liet ze zich testen, kort voordat haar echtgenoot aan aids overleed. Alleen op bijeenkomsten van de Post Test Club kan ze vrijuit spreken over de consequenties. In de ontvangsthal waar de leden elkaar omhelzen als zusters, hangt een poster: `Bestrijd aids, niet de mensen met aids'.

Ook in Oeganda is het taboe op aids nog niet geheel verdwenen. Maar virusdragers durven zich wel te organiseren, anders dan in de meeste andere Afrikaanse landen. Niet alleen doen ze aan belangenbehartiging en zelfhulp, ook aan voorlichting en zorg. Miriam Matte geeft aidsonderwijs in dorpen. ,,Ik help nieuwe infecties voorkomen'', zegt ze met trots.

,,Wij, mensen die leven met HIV, worden vaak gezien als probleem. Maar we zijn juist een deel van de oplossing. Wij kunnen de gemeenschap versterken.'' Dat zegt een andere vrijwilligster, Scovia Kasolo, voorzitter van NACWOLA, een organisatie van 46.000 vrouwen die met het virus zijn besmet. NACWOLA beklemtoont dat virusdragers nog jarenlang een gezond en produktief bestaan kunnen leiden. Die tijd kunnen ze benutten door de toekomst van hun kinderen veilig te stellen, zoals door opvang te regelen voor na hun overlijden. Leden worden aangemoedigd om schriften met herinneringen en adviezen na te laten, zodat met hun dood niet alles verdwijnt.

Oeganda heeft alles gedaan wat een land volgens UNAIDS kan doen om de epidemie onder controle te krijgen. Maar bij gebrek aan middelen heeft die aanpak een groot deel van het platteland nog niet bereikt. Het AIDS Information Centre voert 400.000 HIV-tests per jaar uit en geldt als het best georganiseerde testcentrum van Afrika. Maar bewoners in het noorden moeten het nog steeds zonder testfaciliteiten stellen, zegt waarnemend directeur Sam Wampala. Veel andere voorzieningen, zoals voorlichting en thuiszorg, zijn in de steden geconcentreerd.

Dr. Agathe Lawson, leider van UNAIDS in Oeganda, is bang dat de regering laks en zelfgenoegzaam wordt. Ze constateert een verminderde belangstelling als het om aids gaat. Een groeiende vermoeidheid, die nog wordt versterkt doordat de Westerse financiële hulp stagneert. ,,Als de regering denkt dat ze de epidemie heeft overwonnen'', waarschuwt Lawson, ,,maakt ze een verschrikkelijke fout.

Vierde en laatste verhaal in een serie over aids in Afrika. Eerdere afleveringen verschenen op 28 en 30 augustus, en op 1 september.